Vet van Bromet

Televisie

Mijn vader overleed in 1963. Hij verdiende achtduizend gulden per jaar als chef van de ziekenfondsbodes. Vermenigvuldigd met ruim vier levert dat het huidig equivalent. Je kunt het nette armoe noemen, maar dan waren de meesten arm. En de bodes armer. Het loon werd wekelijks uitbetaald en bij thuiskomst aan mijn moeder overhandigd. Die gaf hem een bedragje als ‘zakgeld’ waarvoor hij Old Mac-sigaretten kocht en bij feestelijke gelegenheden wat maatjes jenever. Voor zichzelf gaf mijn moeder nauwelijks iets uit. Schulden waren er niet. Een erfenis ook niet: zelfs de brommer was van de zaak. Wel was er een levensverzekering ter waarde van duizend gulden. Ik haalde mijn moeder over daarvoor een tv-toestel te kopen tegen de eenzaamheid. Een meubel-op-poten met schuifdeurtjes die overdag het oog bedekten, want televisie had mijn vader een beetje ordinair gevonden. Toen de installateurs weg waren wilde ze het ding het raam uit gooien. Het was ook een schamele ruil. Die eerste avond keken we naar de NK ballroomdansen bij de Avro, wat niet echt hielp. Kort daarop werd Kennedy vermoord — een van de eerste televisie-‘events’. Mijn moeder huilde met ontelbaren om Jackie en de kinderen, maar achteraf denk ik dat dat alles haar goed deed: alsof de wereld met ons mee rouwde.


Tien jaar later leerde ze op een busreis een nette weduwnaar te Hilversum kennen, met eigen huis en appeltje voor de dorst. Na anderhalf jaar pendelen trok ze bij hem in en voerde zijn huishouding. Vrije kost en inwoning waardoor haar pensioentje spaargeld werd — voor het eerst van haar leven. Hij wilde trouwen, zij aarzelde, maar zijn (welgestelde) kinderen zagen de erfenis in gevaar komen en zetten hem voor het blok: bij huwelijk verbraken ze alle contacten. Dus moest hij kiezen tussen de kleinkinderen en mijn moeder die het probleem ‘oploste’ door weg te gaan.


Had Frans Bromet uit deze situaties vet kunnen braaien voor zijn Gemeenschap en goederen? Uit de eerste niet. Daarin was immers niet alleen ‘de jure’ sprake van gemeenschap van goederen maar ook ‘de facto’. Dat zakgeld heeft voor een modern oog iets vreemds, maar er stond tegenover dat mijn moeder contributie voor de huisvrouwengym uit de kas nam. Dat hele programma was destijds ondenkbaar: door gebrek aan geld en omdat er nauwelijks ‘modern leven’ met afwijkende relatievormen en hun financiële consequenties bestond. Maar ook door de schaamte- en genadeloosheid waarmee Bromet, zuigend als in Buren, de geldelijke regelingen van samenwonenden fileert, inclusief irrationaliteiten, kromme redeneringen en soms aperte oneerlijkheid. In de montage wordt de spanning opgebouwd: als je denkt het wel te weten tovert hij een verrassing te voorschijn. Meneer brengt weliswaar beduidend minder in, wat iets van mevrouws terughoudendheid inzake gemeenschappelijke vakanties verklaart (hoewel?), maar plotseling blijkt hij, behoudens het opvouwen van de was (‘dat schijn ik niet goed te doen’), de hele huishouding, inclusief dagelijks koken, te voeren. Mevrouw prijst zijn maaltijden. Maar hij moet wel de komende verbouwing doen als bijdrage in natura.


Eén vraag stelt Bromet niet bij zoveel onrecht: brengt ze soms de seks in rekening? Ook zonder dat voelt de kijker zich meer voyeur dan bij porno.