Televisie

Televisie

Het Office de Tourisme van de stad Luik is zaterdags gesloten. «Maandag bent u de eerste», is de boodschap en ik ben niet de enige die dat eigenaardig vindt. De man van de Tabac veronderstelt dat ze daar niet goed bij hun hoofd zijn. Zijn weerzin tegen autoriteiten en politiek komt als een waterval op mijn simpele vraag om een plattegrondje. Dus loop ik op goed geluk door die merkwaardige stad die levendig en hier en daar eventjes mooi is wanneer je het industrievuil van kerken en bourgeoishuizen wegdenkt. Moeilijker is het om door de genadeloos onherbergzame nieuwbouw heen te kijken. Zoals die waarin het Musée de l’art Wallon is gevestigd. Ik ga aarzelend binnen en word naar een lift achterin verwezen: vierde verdieping. Daar schrikt een suppoost zich rot vanwege dit kennelijk totaal onverwachte bezoek. Ze beveelt me rechtsom te beginnen bij de zestiende eeuw. Het duurt even voor ik doorheb dat de gegijzelde bezoeker via binnentrappen naar beneden moet cirkelen om pas beneden rond 1990 te eindigen.

Unheimisch, dat blijft het onderliggende gevoel — wat zeker door een deel van de werken komt, maar vooral door het betonnen gevaarte dat ze herbergt en nauwelijks een kans geeft. En dat komt door de suppoost die eindelijk de kans schoon ziet haar salaris waar te maken en me twee verdiepingen lang schaduwt als een knullige «stille» die wegduikt zodra ik haar kant op kijk. Griezelfilm en slapstick ineen. Op de tweede laat ze me over aan haar collega die, ander uiterste, in trance is en zich daarbij niet door enig bezoek laat storen. Als ik er met hun Delvaux vandoor was gegaan had hij mijn signalement niet kunnen geven.

Maar veel liever had ik van Armand Rassenfosse (1862-1934) een zich wassende vrouw met lampetkan gejat (want tussen veel middelmaat hangt ook moois). Of de Luikenaar Lambert Lombard (1550), van wie bijna knullige altaarstukken in de kathedraal staan maar wiens hier hangend zelfportret prachtig en verbluffend realistisch is. Dan blijkt weer dat Henk van Os de kijker het museum wel in kan lullen, maar dat die er niet is als je hem nodig hebt: hoe valt dat verschil in stijl en kwaliteit te verklaren? Zouden daarom gepensioneerden alsnog kunstgeschiedenis gaan studeren? Of is het vanwege de studie genootjes van gegoede huize, met hun voor namen ontleend aan Ovidius’ Metamorfosen? De website van het museum geeft op geen vraag antwoord en telt drie reproducties. Aanbevolen voor liefhebbers van eenzaam avontuur.