Televisie

Televisie

«Moessie», jankt Kees Prins, alias Johnny Jordaan, in het ziekenhuis als zijn moeder is gestorven. Bloedlinke scène: ironie en sentimentaliteit zijn de klippen waar schrijvers, regie en acteur tussendoor moeten. Die meesterproef slaagt en is kenmerkend voor het geheel: mengsel van vervreemding en betrokkenheid, afstand en respect. Ver van de geest van Jiskefet — met een buiging naar de sublieme momenten die dát programma soms oplevert. Ik begrijp critici die zich door Jordaan te weinig geraakt voelen, maar voel me dat zelf, mede door die distantie, wél. Paradoxaal. Het zoveelste bewijs dat recenseren hachelijk subjectief is en dat woorden gebrekkige instrumenten zijn om ervaringen aangaande kunst over te brengen. Wat ons niet weerhoudt van vrolijk doorlullen.

Nog een sterfgeval, of beter, een aangekondigde dood: The Young One (Veronica’s zelfgekozen koosnaampje) zal ons ontvallen om plaats te maken voor ME. Associaties met politie en Chinese noedels passeerden al de revue; ik denk helaas meer aan het Chronisch Vermoeidheid Syndroom. Maar het gaat natuurlijk gewoon om IKKE, wordt door een reclameman «een knappe vondst» (!) genoemd en door kledingketen WE aangevochten. Wat mij op het idee bracht «ik», «jij», «hij», «wij», «jullie», «zij», en dat in dertig talen, te claimen. Te laat, want Astrid Joosten presenteert al een programma waarvan de titel uit die persoonlijk voornaamwoorden bestaat en dat haar definitief bijzet in de eregalerij van de vertrutting.

Terug naar ME, die knappe vondst — we worden ermee doodgegooid. «Ben ik de plaatselijke pakezel?» schreeuwt een meid in de radioreclame. De makers staan geheel achter haar, al is hun bedoeling niet helemaal zuiver: ze willen dat hun opdrachtgever alle kantoorbenodigdheden in Nederland mag leveren. Andere reclame: een accountant gilt vanuit haar tenen: «Nee toch, hè». Ze heeft volgens de opdrachtgever recht op uitdagend werk en hoeft geen genoegen te nemen met routineklussen. Wie die dan wel moet doen? Vanaf een poster in het tramhokje brult een jongen: «Ik pik het niet langer.» Achteraf bezien blijkt dat een racistische «grap» (de jongen is Noord-Afrikaans, heeft een groot litteken in zijn gezicht en de stilzwijgende clou is dat de prijzen bij het adverteren de bedrijf zo laag zijn dat hij niet meer hoeft te jatten), maar desondanks golft de assertiviteit ons tegemoet.

Ik kom bij Albert Heijn en pak een kartonnen driehoekje waarmee je je beschuit scheidt van die van je voorgangster. «EN NU IK» staat erop. De lulligste handeling bevorderd tot daad van ultieme zelfbevestiging. Heupwiegend loop ik naar buiten en geef een bejaarde die me verkeerd aankijkt een dreun: dood. Ik besta. ME.