Televisie

Televisie

De granman der Samaraccaners heeft een stuk bos verkocht aan de overheid. Wanneer zijn kapiteins om opheldering vragen geeft hij niet thuis. De hoogopgeleide Vinije Haabo, over uit Nederland, heeft om audiëntie verzocht. Kapiteins en basia’s gaan mee om de jonge man te beschermen. Granman opent met de mededeling dat hij met de aanwezigheid van «film» niet gelukkig is omdat zijn volk dit misschien niet wil. Zijn naam is toch al beschadigd door de boskwestie. Elke zin levert instemmend gemompel op van wie toch eigenlijk zijn critici zijn — wat een debat even onwaarschijnlijk maakt als dat tussen priester en gelovigen over de onbevlekte ontvangenis tijdens de mis. Dan nodigt hij het gezelschap uit vooral verder te vergaderen, maar zonder hem: hij heeft wel wat belangrijkers aan zijn hoofd. Het is hilarisch en gruwelijk tegelijk. Aan het eind van de documentaire schrijft Vinije een nederig verzoek om een tweede vergadering.

Dit alles in een aflevering van Wie niet weg is is gebleven waarin «gewone mensen» hun verhaal over Suriname vertellen. Over dat land is inmiddels een videotheek van hoog niveau te vullen met werk van Bosdriesz, Zichem, Kross, Ramdas, Prade en vele anderen. Wie niet weg is… krijgt daarin een ereplaats. Of het gaat om de man die in 1975 de vlag hees in het stadion en die in beheer houdt tot zijn land het doek verdient (we zien oud-kemphanen Arron en Lachmon elkaar ondersteunend wankelen over de tribune), om een Hindoestaans dorp in verval, om talking heads over de bouw van Bosjes bruggen (tegenover de pathetisch-nationalistische apologie van dichter Barron de afgewogen kritiek van landbouwer Spoor) — het is van grote precisie, knap geproduceerd en prachtig gefilmd. De afleveringen ontvouwen zich geleidelijk, het is aan de kijker te interpreteren en de Surinaamse tragiek wordt voelbaar. Diogenes bij de nps. Eigentijdser: Nederland 3 zoals het hoort te zijn.

Indrukwekkend ook een andere «roots»-documentaire: Ramsahai’s reis van Ivette Forster en Sandew Hira. Hij is 88 en wil de driehoek India-Suriname (waar hij in een weeshuis belandde)-Nederland tot cirkel maken met een bezoek aan zijn Indiase geboortedorp, in de hoop familie te vinden. De queeste is vergeefs: de enige die verre familie zou kunnen zijn is doof en blind (een scenarioschrijver zou je van te zware symboliek beschuldigen). Ramsahai spreekt nauwelijks en vertrekt geen spier, maar zijn wangen zijn nat en niet van zweet. «De hel en de hemel zijn op aarde», zegt hij bij de Ganges. En je beseft dat hij het kan weten.