Televisie

Don Giovanni valt na zijn boevenstreken tenminste nog krijsend de hel in, maar Monteverdi’s L'Incoronazione di Poppaea eindigt in de totale overwinning van het kwaad. Te schrijnender omdat de laatste klanken een adembenemend liefdesduet vormen. Ieder die deugde, is dood of verbannen en Poppaea en Nero komen klaar onder auspiciën van Amor (meer lust- dan liefdesgod): «Io son tua, tuo son io». Scenarist Busenello en de onsterfelijke Claudio durfden wél. Ooit waagde Het Werkteater zich eraan - vergeten mislukking - maar dat duet was zelfs in de Groothof-versie aangrijpend. We leven in een gelukzalig tijdperk: in mijn jonge jaren leek de muziek in 1685 te Eisenach geboren (laat u vooral niet Kruidvat-uitgave deel 13, cd 84-95, Klavierwerke II, met Van Asperen en Belder voor die habbekrats ontgaan); nu bracht de NPS op vier zondagen alle Monteverdi-opera’s in superieure uitvoering en regie van Audi. En, even belangrijk, in de prachtige tv-registratie van Hans Hulscher. Moet die man voor zijn Verzameld Werk (waaronder Wagners Ring) niet een keer de Nipkowschijf hebben? Televisie als doorgeefluik? Tot uw dienst, maar als de doorgever begaafd artisan is, dient dat geroemd. Wie genoeg heeft van reactionair gejubel over de Dead Composers Society en eigentijdser kunst verlangt, kijke donderdag 8 juni naar Het uur van de wolf. Op het onzalig, voor de kunsten gereserveerde tijdstip van 23.20 uur wordt een portret van Dick Raaijmakers uitgezonden van de hand van Jacqueline Oskamp. Voor hem hommage vanwege oeuvre en zeventigste jaardag, voor haar de première als tv-maakster. Het resultaat is fascinerend - zelfs, of juist voor deze leek. Als Raaijmakers zegt dat verbanning uit zijn woonplaats Den Haag hem niet zou ontwortelen is dat óók een metafoor voor zijn werk dat in zekere zin thuisloos, ongebonden, onplaatsbaar is. Hij behoort tot het slag van de onindeelbaren, werkend in rand- en grensgebieden tussen de kunsten (muziek, elektronica, theater, beeldende kunst), onderwijs en wetenschap. Hij mag nestor zijn, zodra het over zijn vele fascinaties gaat, blijkt hij tegelijk jong en een aanstekelijk didacticus - niet op lauweren rustend, altijd zoekend. In de documentaire is het doel concreet: originele glasplaten van de negentiende-eeuwse wetenschapper Marey die in reeksen foto’s «beweging» vastlegde. Hij vindt ze niet, maar de wijze waarop hij die mislukking in een nieuwe, creatieve oplossing omzet is verrassend. Paradox is dat hij ondanks extravertie moeilijk te kennen lijkt. Oskamp maakte een fraai portret waarvan die ongrijpbaarheid essentieel bestanddeel is. «Fremd bin ich eingegangen, fremd zieh’ ich wieder aus» - het geldt voor ieder min of meer. Voor Raaijmakers meer. Die geobsedeerd blijkt door «vallen»: de dodelijke val van Chausson en die van Mussolini bracht hij het theater in. De bron daarvoor ligt in zijn leven. Kijk maar.