Televisie

Het kleine café werd uitgebaat door een kastelein die alles al gezien had en zijn eigen beste klant was. Dus verkocht hij het aan een Noord-Hollandse jongeman. Die gaf ik geen schijn van kans tussen een populatie van oude Mokumers en studententuig als ik. Temeer niet omdat aanvankelijk zijn moeder in een hoek niet afliet te vertellen hoeveel er mis was gegaan in hun leven en hoezeer ze hoopte dat het hier wél wat zou worden.
Haar litanie werd nu en dan onderbroken door: «Hè, jongen?». «Ja ma», antwoordde hij gehoorzaam en onwillig, als ooit Frank van der Putten (De Bie) tegen moeder (Van Kooten) wanneer die innig gearmd winkelden: eigenlijk wilde die «een lekker wijf».
Vanwege de kleine ruimte was het uitgesloten dat de klant zich aan haar klaagzangen onttrok. Langer dan twee pils hield ik het niet vol en het wachten leek op de volgende eigenaar. Kort daarop bleek moeder de eerste die hij de toegang had ontzegd: hero ïsche daad die het begin was van bloeiende nering. Een streng regime lag eraan ten grondslag: wie zich in zijn onverbiddelijk oog misdroeg werd geschorst en moest zich met mindere kroegen behelpen tot hij weer in genade werd aangenomen.
Aan jaren bloei kwam een abrupt einde toen hij kennis kreeg aan een «lekker wijf » dat zich te goed vond voor zijn minuscule keizerrijk. Ze namen een grote zaak over in het zuiden des lands waar niemand op een Hollander zat te wachten: alsnog ten onder door een vrouw. Niemand gunde hem die mislukking, maar dat velen hun tweede huis kwijt waren omdat door onzalige wetgeving te kleine kroegen moesten sluiten bij bedrijfsbe ëindiging, dat is hem lang nagedragen. Hij dook uit de vergetelheid op door de fraaie nps-documentaire Café Chris van Meral Uslu die niet het verwachte portret van een Jordanese kroegpopulatie maar de ondergang van eigenaar Fred schilderde.
Wanneer die noodgedwongen zijn zaak door beheerder John laat runnen («Ik laat hem helemaal vrij, maar wel alles in overleg») blijft hij toch aan de tap zitten - zo de laatste klandizie wegjagend met gedetailleerde beschrijving van het woekeren van zijn kanker. Enerzijds dom, anderzijds onvermijdelijk: die kroeg was zijn leven. De film is een met gein verlichte tragedie; en een document inzake het «tragisch levensgevoel » van de «gewone mens», zoals dat zichtbaar wordt in werken en leven van Johnny Jordaan en André Hazes. Warm en gezellig («sabberiosia») en o zo doorspekt met verraad, verlies, de schaduwzijde van de alcoholroes en verval. Dat die lower class-tragiek niks Mokums is, toont de EO wekelijks met zijn Vlaamse aankoop De camping. Ademloos kijk ik naar onmacht en verdriet. Deels verbijsterd, deels herkennend.