Geworstel

Televisie

‘Ik kook vaak’, zei Jef Rademakers over zijn huidig Vlaams bestaan tegen René Stokvis, toen ze in De worsteling, na een debat over de ontelbare medische tv-programma’s, in de lift van hun slagveld wegzoefden. Doet toch een beetje denken aan de mop over de vrouw die na de daad haar man meedeelt dat het plafond nodig gewit moet. Want allemachtig, wat had Jef verontwaardigd geleken over zoveel chirurgische Stokvis-verloedering op de buis. Als die het zou wagen met zijn camera’s in het ziekenhuis bij Jef te komen, dan sloeg hij hem er prompt zelf in. Rake debatteerklap waarop thuis fiks geoefend leek.

Zoals Jef veel zinnen té pasklaar had en zijn woede te gepolijst was. Boeiend, zo’n man, die als jonge hond schrijvend Gooise verloedering aan de kaak stelt, daarna als programmamaker fiks wat eigen drollen aan de beerput toevoegt waardoor hij binnenvaart en die nu, kokend in een gunstiger belastingklimaat, opnieuw de moralist uit komt hangen. Zelfkritiek en zelfspot zijn schaarse ingrediënten in de tv-keuken. Zijn er dan niet idioot veel snij- en hakprogramma’s? En worden Eerste tot Laatste Hulp niet even intensief door patiënten als door cameraploegen bezocht? Natuurlijk. Volgens Stokvis betreft het ‘een stukje’ nuttige voorlichting aan een in medische zaken geïnteresseerd publiek. Wat is daar tegen? Niks natuurlijk. Wie keizersnee of harttransplantatie wil aanschouwen heeft ook rechten. Maar soms worden incisies en amputaties de ‘bloemkolen’ die gevraagd en dus geleverd worden (zoals Rademakers terecht zei); en valt het met die voorlichtingsfunctie erg mee. Of tegen. Een verkeersongeluk geeft kennelijk velen ‘een stukje nuttige informatie’, gezien de massa’s die daar verlekkerd omheen dringen.

De worsteling dus, pauzeprogramma tussen twee reeksen B&W. Met een presentator, Rob Trip, die mijn zegen heeft maar die de formule niet kon redden. Te veel ouwe koeien, te veel geforceerde tegenstellingen (waarschijnlijk omdat worstelaars die werkelijk de wurggreep aan willen leggen niet met hun vijand aan tafel willen), zelden enige toenadering omdat te weinigen toenmalig of huidig ongelijk toegeven. Met een mal decor waarin het onvermijdelijke publiek ver weg achter pilaren zat te betreuren dat het de uitzending niet thuis en dus beter zag. Toch gebeurden er soms mooie dingen. Zoals Kristien Hemmerechts’ beschouwingen over Taal zonder mij, de dood van Herman de Coninck en haar reactie daarop. Ze had het gevoel door het lot op haar plaats te zijn gezet vanwege ‘parmantige meningen’: ‘Trek een zwarte sluier over je hoofd en wees weduwe.’ Maar de confrontatie met Connie Palmen en dier I.M. leverde alleen al weinig op omdat ze, begrijpelijk, haar vernietigend oordeel achterhield. Het was anders buitengewoon onwaardig geworden. Wat de redactie zich moet aantrekken.

Hadden hun beroemde partners ook een boek over hen geschreven als de dood de vrouwen had getroffen? Nee, respectievelijk columns en gedichten. ‘En dan hadden Ischa en Herman in De worsteling gezeten’, zei Hemmerechts cynisch. Dat was raak. Maar maakte extra onbegrijpelijk dat zij zich voor een weduwendebat leende.