Goede wilden

Televisie


‘Jezus, Priscilla, ik krijg een rolling van je’, riep de Jordanese crècheleidster haar pupil in het speeltuintje toe.


De daverende stem volstond: aangesprokene hield op Naomi onder zand te bedelven. Kleindochter schommelde onverstoorbaar voort: die is, met alcoholische buren die elkaar op straat de waarheid vertellen, andere verbale koek gewend. Die juf leek me een goeie: ze sprak de taal van de ouders en niets ontging haar. Ik beweer dit met respect, de cultuur van de overgebleven autochtone Jordaners is me in veel opzichten vreemd als die van Trobrianders of Xinghu-indianen — volken die ik denk te kennen door de antropologische reeks Verre volken, ooit door de NPS uitgezonden — en die mijn studenten, dankzij de video, verslinden. Veel van hen delen de blik waarmee Aphra Behn (lees ‘Oerinoko, de koninklijke slaaf’) in de zeventiende eeuw naar Surinaamse indianen keek: als we hen westerse normen bijbrengen, leren zij pas het kwaad kennen dat hen volledig vreemd is: de ‘goede wilde’ is lang voor Rousseau ontdekt.


Oprecht, sympathiek en alleen al onhoudbaar omdat in diezelfde tijd en contreien de Cariben de Arowakken afslachtten. Maar de hang naar antropologie blijft en een verlangen naar zuiverheid is er zelden vreemd aan. Indrukwekkend voorbeeld ervan was de BBC-comedy The Royle Family, waarvan de VPRO de tweede reeks uitzond. De kijkcijfers niet geweldig en dat stelt teleur want zelden is zo indrukwekkend en geestig de ‘pijn en moeite’ van arbeiderscultuur gedramatiseerd — moordend en liefhebbend tegelijk. De gezinsleden een knappe mix van karikatuur en prototype, meesterlijk gespeeld. Gewaagde dramaturgie: lange passages waarin alleen naar de televisie wordt gekeken; conflicten die blijven hangen.


De laatste aflevering een meesterwerkje: zoon Anthony, door vader en zus eeuwig aan het werk gezet en beschuldigd van luiheid (zelf steken ze geen poot uit), wordt achttien en brengt voor het eerst zijn meisje mee. Het kind, sociaal een trapje hoger, kijkt beleefd haar ogen uit en luistert verbluft naar vaders stoelganggrappen. Blijkt ze ook nog vegetariër en is er geen kaas in huis. ‘Heb je dan geen dun gesneden ham voor haar?’ vraagt oma kritisch.


Tot zover herkenbare comedy-stuff. Maar dan komt buurman die twaalf afleveringen lang ‘er niet een heeft gezegd’. Dronken. En geïnspireerd door samenzang waarbij pa de banjo bespeelt, heft hij de ballade aan van Eileen die hij terug zal brengen naar het hutje bij de zee. Prachtig zingt hij, alle coupletten, eindeloos. Ieder is stil en met dit minutenlange lied eindigt de serie. Je moet als scenarioschrijver maar durven.


Diezelfde middag de wonderschone documentaire Zoutmannen van Tibet van Ulrike Koch gezien. Een zangeres zingt over de zouttocht en de goden. ‘Ik zie het lijden van de mensen. En dat van de dieren die door de mensen bejaagd worden.’ Vegetariërssentimentaliteit? Loze ideologie blijkt het niet: de ‘Heer der dieren’, voor hen verantwoordelijk tijdens de lange tocht door de bergen, zegt: ‘Ach mijn lieve yakje’, als het beest niet meer mee kan. De dokter besluit tot afmaken op een manier die wij slechts van euthanasie kennen. Respect voor hun houding heeft niets met cultuurrelativisme van doen. Integendeel: het berust op verlangen naar een universele norm. Dat ze hem opeten doet daar niets aan af. Onze varkens zouden ervoor tekenen.