Nederland bestaat

Televisie

Wijnand Mijnhardt zou, had hij geleefd in het Den Bosch van de negentiende eeuw, geen lid zijn geweest van de rederijkerskamer omdat de middenklasse waaruit die voortkwam hem te min was geweest. Herman Beliën had juist graag lid willen worden, maar was niet toegelaten vanwege nederige afkomst: zijn opa was koetsier. Samen struinden de historici door die Brabantse stad in het kader van de aflevering ‘Gezellig’ in de tiendelige reeks van de NPS over de oorsprong van ’s lands identiteit: Bestaat Nederland wel? Een aardig programma, ook als je Beliëns humor soms te dik vindt (‘historisch genootschap’ heet bij hem ‘hysterisch genootschap’) en zijn ‘spontane’ gesprekjes met deskundigen wel erg rederijkersachtig gespeeld.


Wandelend door Albert Heijn, voorheen sociëteit, doet Beliën alsof hij ervan ophoort dat hier vroeger geen vrouwen mochten komen — wat doet denken aan de toneelschrijver die als exposé laat zeggen: ‘U bent mijn echtgenoot.’ Maar toch een aardig programma. Omdat Beliën niet alleen lolbroek maar ook deskundig en vaak serieus is, en niet de makke van veel presentatoren heeft dat hij tussen kijker en onderwerp wil staan. Integendeel, hij nodigt uit mee te gaan in verleden en ontwikkeling en spreekt letterlijk en figuurlijk de begrijpelijke taal die nodig is om een groot publiek te bereiken.


Zo melig als hij soms is in ‘Gezellig!’ zo ernstig is hij in de aflevering over ‘onze’ omgang met psychiatrische patiënten. Raar om in de afweging van programmakwaliteiten zozeer het accent op de presentator te leggen, maar dat is onvermijdelijk door de opzet van de serie en door de televisieaard in het algemeen.


De kracht van Bestaat Nederland wel? ligt natuurlijk voor een groter deel in research, redactie en regie. Die zorgen voor een mix van mentaliteits-, cultuur- en sociale geschiedenis met verwijzingen naar economie en politiek. Het standsbewustzijn van de negentiende eeuw, duidelijk gemaakt aan de hand van de rederijkerskamer, vindt in de psychiatrie-aflevering zijn pendant wanneer we vernemen dat in een modelinrichting als Meerenberg vijf klassen waren, waarbij ‘de eerste’ eigen personeel mee mocht nemen.


Veel recenter is het verhaal van een dame wier tweelingzus al vijftig jaar in inrichtingen zit en die vertelde over de gruwelstraf voor patiënten die het ooit waagden het beroerde patiënteneten bij de nonnen te bezorgen en het goede zustermaal bij de zieken: braakinjectie en vastgebonden in de isoleer. Een anekdote, maar wel een verhelderende — zoals de meeste verhalen in de reeks dat zijn. De vertellers ervan zijn ingewijd in de materie en goed gekozen. Mooi archiefmateriaal bovendien. Misschien te oppervlakkig voor de specialist, maar aantrekkelijk en informatief voor de leek. Historisch en verhelderend over ‘hier en nu’. En verdomd: Nederland bestáát.


Dezelfde Beliën leidde een ‘feestelijke’ aflevering van zijn Quiz van de eeuw met bekende Nederlanders. Een wezenlozer programma heb ik zelden gezien. En dan krijgt de notabele winnaar, zonder twijfel reiziger-op-kosten-van-de-zaak bij uitstek, een Rome-reis (onder Beliëns deskundige leiding) cadeau. Thuis hadden wij veel meer antwoorden goed. Kunnen wij niet ook mee?