Televisie

Televisie

De oervorm is het haasje in de etalage van de poelier: jagerspetje, geweer over de schouder. Prooi vermomd als roofdier. Misschien bedoeld als bezwerende bede om buit — zoals de dieren op prehistorische schilderingen met dat doel zouden zijn geschilderd. Maar vooral bedoeld als «grappig». Een nogal zieke grap maar ik ben dan ook vegetariër — en zo geïntrigeerd door die rolwisseling dat ik afbeeldingen ervan verzamel, geholpen door Groene-lezers. Beschrijving van de collectie vindt u in Raster 86 (1999) onder de titel De lachende lendelap. Dat stuk is onderdeel van twee fraaie Raster-nummers: één met verhalen en essays over dieren; één met fragmenten uit oude bestiaires plus een voor Raster door honderd auteurs geschreven nieuw bestiarium over bestaande en fictieve dieren. In dat opstel onderscheid ik drie categorieën reclame rond «mens en dier». De «lekker puh»-variant, waarin de mens spot met het stomme dier dat zich door hem laat vangen, slachten en consumeren. De categorie «dood mij, eet mij» waarin het dier geen groter vreugd kent dan voor ons gekeeld te worden; of waarin het varken smullend worstjes aanprijst (kannibalisme-variant). En ten slotte «slachtoffer als beul»: ons jagershaasje; vis die uit hengelen gaat; os die koe uitbeent.

Volgens De Swaan gaat het bij de tweede variant vooral om verdringing van schuld: dieren «willen het zelf». Misschien. Al houd ik het op botheid. Verdringing lijkt mij wel dat je nooit een afbeelding ziet van een smulpaap die ontzet vaststelt dat de Hemelse Rechter een varken is. Noch één van rund dat slager keelt. Inzake het laatste ben ik gecorrigeerd. Ik kreeg een zestiende-eeuwse prent, De verkeerde wereld, waarin niet alleen de zieke de dokter onderzoekt maar ook het schaap de herder scheert, het wild de jager jaagt en het varken de slachter fileert. Dit alles naar aanleiding van drie zaken. 1. Een schaamteloze AH-advertentie waarin Maleisische garnaal en Argentijnse entrecote I love Holland zingen en: «Met z’n allen op het vuur/ Een warm onthaal/ En we zijn niet eens zo duur.» 2. Een passage in VPRO’s Ruilen internationaal waarin een Zuid-Afrikaans jochie verbaasd reageert op de vraag of hij een door hem aangeschoten haas de nek omdraait: veel te eng — en daar is immers Mannetjie, zijn zwarte knecht, voor? 3. Koos van Zomeren die in Buitenhof tegen Brinkhorst zei dat in het kader van bestrijding van de «gekkemensenziekte» nodig de ministeries van Landbouw «geruimd» (stuitend eufemisme voor massaslachting) moesten worden. Dat laatste uit mijn hart gegrepen: als die misbruikte koeien dat niet kunnen, zullen wij het moeten doen.