Televisie

Televisie

Op trimtocht door het bos hoor ik geluiden die voetbal verraden. Ik loop erheen langs een grasveld waar omheen een dijkje. Lichtmasten doen vermoeden dat het de plaatselijke ijsbaan betreft die, inderdaad, Wintervreugd heet. De mooiste van Nederland, en voor de jeugd hoop ik dat het ooit weer zal vriezen: Amor is een fel kortebaanschaatsertje. Daarnaast het veld waarop Witteveense Boys 2 tegen Hoogeveen speelt. Verrassend aardige partij met drie echtgenotes als publiek. De grensrechter blijkt niet alleen supporter maar ook trainer van Hoogeveen: rennend brult hij instructies, waarschuwt voor de inkomende en wijst op de vrije man. Boeiende vermenging van lastig te verenigen functies. Hij ziet vaak buitenspel maar de scheids wil dat, niet ten onrechte, wel eens negeren.

«Grens» ziet er vervaarlijk uit met vierkant postuur en ringen overal doorheen, maar desgevraagd word ik hartelijk ingelicht over het scoreverloop. Als de Witteveen-reserve hem besluipt en armen om zijn fikse buik slaat («om Grens kun je niet heen») bewijst zijn lachende reactie dat felheid en partijdigheid wel degelijk kunnen samengaan met kameraderie en relativering. De reserve vertelt dat «Scheids» in de niet meer gebruikte kerk woont en dat de oudste en beste speler hoofd der lagere school is — een instituut dat jonge ouders niet doet verhuizen en het dorp leefbaar houdt. Maar hopen dat die ouders niet trappen in Nagel- en Fortuyn-opportunisme.

De volgende dag ontmoet ik een pupil van bovenmeester. Hij zal acht zijn, groet hartelijk en fietst naar de brievenbus. «Meneer, ik begrijp er niks van», roept hij van ver. Ik erheen. «Lichting tijdens bezorging» staat er. «Die brief moet naar mijn vriendje.» Ik stel hem gerust: morgen heeft vriendje de brief. «Dan krijg ik er een terug», zegt hij blij. We lachen en op dat moment passeert een argwanende dorpsmoeder.

Onschuld bestaat zelfs niet meer in dit betrekkelijke paradijs en ook ik zie mezelf als vieze ouwe man.

Terug in Amsterdam rijdt een tienjarige op skateboard me net niet van de sokken en roept op mijn «Uitkijken, kameraad»: «Hou je bek, jij». Locatie, kleding en accent verraden de upper class. Even later moet ik, op de smalle stoep, uitwijken voor mijn fietsende jonge buurvrouw. Ze woont er bijna een jaar, heeft nog nooit teruggegroet en kijkt ook nu straal door me heen. Advocaat is ze, net als haar man. En asociaal. Terug naar Witteveen om daar schoolhoofd te worden en mee te voetballen? Maar in een winters bosdorp kom ik mezelf tegen. Dat is pas écht erg.