Opheffer

Televisie als discuswerpen

Ik heb de televisie opgegeven, merkte ik. De beeldbuis in mijn zitkamer begaf het, drie maanden geleden, en tot nu toe heb ik niet de behoefte gevoeld een nieuwe te kopen. Ik heb nog een televisie in de keuken en bij mijn bed, maar daar kijk ik niet regelmatig op.

Ik hou van het medium, maar het medium houdt niet van mij.

De ramp in New Orleans is de eerste ramp van de laatste tijd die ik niet meer op televisie heb gevolgd; ik volgde het via de radio en de krant en had daar meer dan genoeg aan. Sterker, toen ik beelden van de ramp met een schuin oog op een televisie zag (keuken) wist ik het laatste nieuws al. Er werden alleen beelden aan toegevoegd – onder het koken van een verrukkelijke pasta – de pasta bleef lekker.

De televisie als instituut werkt niet meer.

Niet dat ik geen televisie kijk, moet ik eerlijk bekennen. Elke dag schuif ik er wel een dvd in die ik geheel of gedeeltelijk bekijk. En ik zit in een kring van mensen die met elkaar regel matig goede programma’s uitwisselen die ze ook op dvd hebben opgenomen. Daar zitten veel programma’s bij van Discovery Channel. (bijvoorbeeld: over de aanslag op Hitler, over de atoombom, over de Duitse onderzeeboten). Ook kijken we nu naar Teleac-uitzendingen over China.

Die kring van mensen die ik ken – en die trouwens ook de televisie hebben opgegeven – staan in het volle leven; ze hebben de behoefte om goed geïnformeerd te worden, maar gesteld voor de keuze tussen museum of strand wandeling en Buitenhof kiezen ze voor museum of strandwandeling. Niemand van ons refereert in zijn gesprekken nog met grote regelmaat aan een televisie-uitzending. Men zegt iets over Balkenende, of iets over Donner, en een enkele keer wordt er gesproken over Barend en Van Dorp of over Clairy Polak, maar dat zijn zinnetjes, regeltjes…

Er is geen cultuur meer rond televisie.

De favoriete omroep bij ons is de KRO, heb ik gemerkt, want veel dvd’s die rondgaan bevatten «detectives» die bij de KRO zijn uitgezonden. We vragen ons wel eens af wat detec tives met het katholieke geloof te maken hebben. Het unieke van een detective is toch dat Holmes en Watson door deduceren en reduceren tot een oplossing komen; nog nooit heb ik een detective gezien waarbij Holmes moest concluderen: deze moord werd gepleegd door God. Er is altijd een menselijke dader. De mens is altijd schuldig, en verlossing is er nooit. Detectives zouden eerder bij de NCRV thuis horen.

Het vreemde is dat ik wel van televisie hou.

Ik heb alles gedaan wat je met televisie kunt doen. Mijn grootvader hoorde bij Philips tot een van de uitvinders op het technische vlak. Wij hadden al vanaf 1956 televisie. Ik kon hem zelf repareren, ik heb er zelf programma’s voor gemaakt, ik ben televisiepresentator geweest, en nu rommel ik wat bij producties. Voor- en achterkant van het medium zijn mij bekend.

Maar het is geen inspirerend medium meer, omdat je er niets meer mee kunt. Mediawet en kosten beperken je zodanig dat je met je creativiteit te weinig kunt doen; je vrijheid kent te grote beperkingen. Soms weet je precies wat je zou kunnen bereiken, maar het ontbeert je dan aan mogelijkheden.

Ik kan makkelijk een rijtje van tien documentaires opnoemen die ik zou willen zien, of maken. Maar tegelijkertijd weet ik dat, zelfs als er geld voor beschikbaar is, er geen kijkers voor zouden zijn. Televisiemaker en schrijver Max Pam is op het ogenblik druk doende met een documentaire over Willem Frederik Hermans. Maar ik weet zeker dat Max materiaal heeft voor zeven afleveringen Hermans, en die zou ik alle zeven willen zien! Dat gaat nooit gebeuren. Televisie is Story, is Privé en zal nooit De Groene, NRC Handelsblad of Trouw worden, hoe kwalitatief hoog men in Hilversum de lat ook legt. Ik volgde vannacht bij vrienden de discussie tussen Schröder en Merkel. Hoogst interessant – vooral de discussie over de vlaktax die hier ook speelt – maar voor wie, behalve voor mij en nog een paar journalisten en geïnteresseerden? Zelfs Talpa levert wel eens een primeur op («Affaire Veerman»), maar die informatie staat niet in verhouding tot de informatie die je via de kranten krijgt.

Televisie is per definitie een medium voor een groot of breed publiek – en je hebt domweg pech als je niet tot dat brede publiek behoort. Dan moet je het hebben van gelijkgestemden die je waarschuwen dat er «iets» is dat de moeite waard blijkt te zijn. Dan moet je zelf een circuit opbouwen waarin je programma’s met elkaar uitwisselt. Ook internet zal het niet worden; ik heb eenvoudigweg de tijd niet om uit te zoeken waar alles zit en ik weet ook niet precies hoe het werkt.

De zogenaamde «goede programma’s» zijn gelukkig beperkt en eigenlijk nog vrij goedkoop. Stel dat ik voor die zeven afleveringen Willem Frederik Hermans, gemaakt door Max Pam, als consument veertig euro zou moeten betalen, dan zou ik dat doen. Feitelijk betaal ik voor die ene aflevering die er nu wordt gemaakt maar een paar centen. Dat is merkwaardig. In die verhouding zit iets scheef, want ik betaal die paar centen ook om Talpa te kunnen bekijken.

Maar ook het achter de buis zitten – de enige handeling die je moet verrichten om tv te kijken – begint te irriteren. Het ontspant niet, want de kwaliteit is zo slecht dat je je ergert, of je blijft onbevredigd achter omdat het «time-slot» beveelt dat je maar 28 minuten of vijftig minuten, hoogstens, mag kijken. En als er wel iets is dat langer duurt, komt er reclame tussen.

Om al deze overwegingen heb ik nog geen nieuwe tv gekocht.

Daar komt iets bij, waar waarschijnlijk alleen ik last van heb, of iedereen liegt. Van die nieuwe platte beeldschermen vind ik de kwaliteit niet goed. Die oude «buizen» tekenen veel mooier, scherper.

Televisie is zoiets geworden als discus werpen. Een sport waarbij ik me altijd zaken afvraag als: waar kijk ik naar, waarom een discus en geen bal, wat is de historie, waarom draaien, waarom is die discus niet kleiner, et cetera, et cetera.

En toch volg ik zo’n wedstrijd soms.