Televisieballethuwelijk

Hij was de eerste die in Nederland televisieprogramma’s maakte. En zij richtte te onzent de eerste dansopleiding op. Hoe zou Nederland eruit hebben gezien zonder Erik de Vries (84) en Hans Snoek (85)?
HET IS EEN MOOIE FOTO geworden, melden wij per telefoon, enige dagen na het interview. Ze staan er lief op. ‘Dat zijn we nou ook weer niet, altijd’, bromt Erik de Vries. Er zijn wel betere woorden te bedenken als je het echtpaar Erik de Vries en Hans Snoek wilt typeren. Eigenwijs bijvoorbeeld. Of: eigengereid. En ook: geestig, nieuwsgierig, energiek.

Onze gesprekken worden tussen andere afspraken gepland, de agenda’s zijn overvol. Ze leiden een actief leven, bijna ongepast voor hun leeftijd. ‘Hij was heel oud’, zeggen wij per ongeluk over een gemeenschappelijke kennis die ter sprake komt bij het interview dat gehouden wordt bij het echtpaar thuis. Hoe oud, wil Erik de Vries weten. 'Nou, wel in de tachtig’, schatten wij. 'Dat is toch niet oud?’ zegt Erik de Vries verbaasd. Dat waren we even vergeten. Hij is 84 en Hans is 85.
Theaterliefhebbers kunnen het echtpaar wekelijks tegenkomen bij voorstellingen. Ze gaan bijna altijd samen. 'De een dwingt de ander.’ En samen vormen ze een opvallend stel. Die lange, charmante man en die kleine, elegante vrouw. Ze hebben, als enig echtpaar, allebei de zilveren medaille van de gemeente Amsterdam gekregen. Twee pioniers. Gedreven mensen, die ieder op hun eigen gebied nieuwe stappen hebben gezet.
Erik de Vries stond aan de wieg van de Nederlandse televisie. Als medewerker van het Philipslaboratorium was hij in 1935 nauw betrokken bij de eerste experimenten met het nieuwe medium. Voor de Tweede Wereldoorlog reisde hij door Europa om televisiedemonstraties te geven. Na de oorlog regisseerde hij de uitzendingen die Philips vanuit Eindhoven verzorgde. Drie jaar lang, drie avondvullende uitzendingen per week. Later, toen de omroepverenigingen zeggenschap kregen over de nationale televisie, leidde hij de omroepregisseurs op. Pension Hommeles regisseerde hij, de succesvolle serie geschreven door Annie M. G. Schmidt, en Mies-en-scene, het programma waarmee Mies Bouwman beroemd werd. Hij bedacht Teleac, en streed jarenlang voor een eigen lokale zender voor Amsterdam. 'Die is er nu - en hoe! Alleen had ik het Mokum TV willen noemen.’
Hans Snoek begon met dansen toen in Nederland nog maar weinigen dat deden en er nog helemaal geen opleidingen voor bestonden. De eerste dansopleiding in ons land richtte ze zelf op, bij Scapino, dat ook het eerste dansgezelschap was voor kinderen. Deze groep zou ze 25 jaar lang leiden. Daarna stortte ze zich in het kindertheater, richtte in Amsterdam het Jeugdtheater op en vocht voor een eigen theater voor kinderen. Dat werd De Krakeling, haar trots.
Maar ze hebben nog veel meer gedaan, allebei. Initiatieven gestart, actiecomites opgericht, in besturen gezeten, zich bemoeid met de gang van zaken hier en daar. Het is te veel om op te noemen. Te veel ook om allemaal te herinneren. Bijna geirriteerd over de veelheid haalt Erik de Vries een stapeltje papieren onder z'n stoel vandaan. Dit kwam hij tegen, heeft hij zich ook nog voor ingespannen. 'Schrijvers In Beeld heette dat. We wilden geld bij elkaar brengen voor het maken en uitzenden van documentaires over schrijvers, een stuk of drie per jaar. Ik heb hier het verslag van de oprichting: na het vertonen van de pilotfilm over Simon Vinkenoog werd de vergadering geopend. We hebben dat een jaar of tien doorgezet. En toen de schrijvers op wa ren, zijn we er blijkbaar mee opgehouden.’
Het huis in de P. C. Hooftstraat waar Hans Snoek 55 jaar woont en Erik de Vries 45 jaar, is de getuige van hun actieve levens. 'Er is hier in huis heel wat opgericht.’ Wanden vol met foto’s, tekeningen, schilderijen. Kasten vol boeken, dozen vol papieren, en dat verschillende etages boven elkaar. Snoek: 'Erik was even niet thuis, dus ik heb de kamer een beetje opgeruimd…’ De Vries: 'En nu kunnen we dus nooit meer wat vinden!’
Snoek heeft een systeem aangelegd in een multomap waar ze kan opzoeken op welke plek zich een bepaald boek bevindt. Ergens in hun huis in Amsterdam, of misschien in hun tweede huis op Formentera.
De Vries: 'We bewaren te veel. Maar er zitten echt leuke dingen bij. Alle draaiboeken van Eindhoven bijvoorbeeld, die heb ik allemaal nog. En van mijn vijf Indonesische jaren: foto’s, kampliedjes.’ Hij hield in het Jappenkamp een dagboek bij, dat in De Gids is gepubliceerd.
Snoek: 'Wat we nodig hebben, is iemand die voor ons opruimt, die dingen sorteert en archiveert. Die zegt: laten we dit naar een museum brengen.’
De Vries: 'Het omroepmuseum heeft al verschillende dingen van mij. Daar heb ik ook kopieen van, dat kunnen ze tegenwoordig fenomenaal, bijna mooier dan de oorspronkelijke kleur.’
Hans Snoek zucht. 'Kopieen? Afschuwelijk! Weer zo'n stapel papier erbij.’
ZE ONTMOETTEN elkaar pas na de Tweede Wereldoorlog, toen ze allebei veertig waren en al een leven vol avontuur achter de rug hadden. Hij, geboren in Amsterdam, zoon van de sociaal-democraat Klaas de Vries. Direct van de hbs werd hij op het Philips Natuurkundig Laboratorium in Eindhoven aangenomen. 'Daar zal ik tot in de eeuwigheid dankbaar voor blijven.’
Daar werd hij belast met de radio- en televisie-experimenten, omdat hij een van de weinigen in het laboratorium was die de mogelijkheden van de nieuwe apparatuur inhoud wilde geven. Radiozenders werden in die tijd technisch getest door er een toon op te zetten. 'Wat afschuwelijk voor de mensen die dat ontvangen’, zei Erik de Vries, 'als ik op die zender nou eens omroep. Ik heb mooie platen, die kunnen we draaien.’
Zo ging het ook met de televisie. 'Toen in 1935, twee gangen bij mij vandaan, de eerste testplaat op een scherm verscheen, zei ik: “Jongens, dat is leuk! Laten we mejuffrouw Speenhof van boven vragen om te zingen.” En zij zeiden: “He gets, waarom moet dat nou?” De geleerden wilden die testplaat zien. Zo'n kop van iemand kwam altijd wel over, die herkende je wel, daar hadden ze niks aan. Op die testplaat zag je inderdaad prachtig of het signaal het hield, of het naebde of niet naebde. Maar ik zei: “Dat is toch niet spannend!” En toen mocht ik voor een speciale gelegenheid een eerste televisieprogramma doen. Ik heb goochelen gedaan, en een schimmenspel, en de allereerste voetbalwedstrijd op televisie. Ik mocht de camera omdraaien - dat was het grote moment eigenlijk - en de tuin van het lab laten zien.’ De Vries trommelde de heren van het lab op voor een partijtje voetbal, maar wel met een witte bal! 'Dat is nou echt bijdragen aan de televisiegeschiedenis. Een witte bal tegen dat groene gras.’
De Vries, die van jongs af aan fanatiek fotografeerde, was te veel met beelden bezig om niet te weten dat je anders niet zo veel zag van die bal. 'In 1938 hebben we in Utrecht in de Jaarbeurs de televisie gedemonstreerd. Daar is toen tien dagen lang heel het Nederlandse cabaret opgetreden: Wim Kan en Corry Vonk, Fien de la Mar, Chiel de Boer, Johnny en Jones.’
Intussen had Hans Snoek zich minstens zo gedreven op het pad van de dans begeven. Als jong meisje verliet ze het ouderlijk huis in Amersfoort om in Duitsland bij Kurt Jooss te gaan dansen. Een intuitieve, impulsieve keuze: Snoek had nooit dansles gehad en had zelfs geen enkele dansvoorstelling gezien. Foto’s van de expressionistische Ausdruckstanz van Kurt Jooss maakte de danseres in haar wakker. 'Ik was eigenlijk van plan in de muziek te gaan. Ik wilde diri gent worden, om muziek uit te beelden, zo leuk met die armen bewegen. Tot ik die foto’s zag in een Duits tijdschrift. Ik mocht er naar toe, mijn ouders waren heel kunstminnende mensen. Mijn vader was beroepsmilitair, maar hij was amateurzanger en regisseerde opera’s. En er werd thuis veel muziek gemaakt.’
In Duitsland danste Snoek ook bij de opera in Essen. 'En ik denk dat ik de enige ben in Nederland die in Bayreuth heeft gedanst. Onder Toscanini, dat was geweldig!’ Toen ze terug in Amersfoort haar eigen balletschool had, zocht ze in Amsterdam contact met soortgenoten. 'We studeerden elkaar dansen in en lieten die zien.’ In Amsterdam nam ze een dansschool over in Zuid, en ook de zolder van het huis in de P. C. Hooftstraat was een dansstudio.
TOEN DE OORLOG uitbrak bereikte Erik de Vries, die met Philips op demonstratietournee was in Oost-Europa en daarna als oorlogsfotograaf in de Balkan werkte, in vier maanden Indonesie. Daar werd hij meteen radio-omroeper en filmde zes maanden met Max de Haas, tot hij in een Jappenkamp verdween. 'Het waren nogal weerbarstige films over Nederland in opstand tegen de Duitsers, zoals De prijs voor vrijheid. Een soort waarschuwingen waren het, gedramatiseerde documentaires over het leven in Indie en wat daar door de Duitsers aan bedorven kon worden.’
Hans Snoek had in de oorlog een klein dansgroepje waarmee ze clandestiene avonden gaf, en geld ophaalde voor het kunstenaarsverzet. 'Het waren allemaal heel eenvoudige, prille dansjes. In mei 1945 werd mij gevraagd of ik voor het bevrijdingsfeest iets voor kinderen wilde doen. Dat is toen uiteindelijk Scapino geworden.’
De verbeelding, dat zou hun leven in beslag blijven nemen. En vooral: het uitdragen van die verbeelding. Erik de Vries zag in de televisie een machtig medium om kennis en cultuur te verspreiden. En Hans Snoek zag bij haar eerste jeugdvoorstellingen dat dit de manier was om mensen, via kinderen, voor de dans te winnen. Hun eerste onmoeting in 1948, op de Amsterdamse societeit De Kring, stond in het teken van die ambities. Ze moesten iets van elkaar. De Vries: 'We waren meer onder de druk dan onder de indruk van elkaar.’ Snoek: 'Het waren twee werelden die een werden.’
Als leidster van het Scapino vroeg Snoek aan De Vries of Scapino niet eens in Eindhoven voor de televisie kon komen dansen. De Vries: 'Ik zei dat dat kon. En toen heeft ze op 15 februari, na de nodige repetities, in Eindhoven gedanst. Dat wil zeggen: Hans heeft een lezing gegeven over ballet, en een aantal mensen van Scapino zijn daar toen opgetreden.’
Snoek: 'Demonstraties noemden we dat.’
De Vries: 'Twee jaar later hebben we een echt ballet gedaan.’
Snoek: 'Het eerste televisieballet, dus speciaal voor televisie gemaakt.’
De Vries: 'Dorp zonder mannen heette het.’
Snoek: 'Het ging over de oorlog: alle jongens waren weg, die waren soldaat. En toen kwam er een terug met een boodschap en die moest met al die zeven vrouwen om de beurt dansen.’
De Vries: 'Het waren allemaal pas de deux, he?’
Snoek: 'Ja. Het was een heel kleine ruimte, de studio. Dus…’
Jullie werkten toen al samen?
De Vries: 'Ja, dat was meteen voor elkaar.’
Snoek: 'En toen zijn we in 1951 getrouwd.’
De Vries: 'In dezelfde krant waarin over ons “televisieballethuwelijk” werd geschreven, stond ook: de televisie kan beginnen. En dat was inderdaad op dezelfde dag, 15 september: toen werd er toestemming gege ven om over te gaan van Eindhoven naar Hilversum.’
Die verhuizing van de omroep naar Hilversum zat Erik de Vries trouwens niet lekker. Hij was erop tegen; als het aan hem lag, waren ze naar Amsterdam gegaan. Hij had al voorbereidingen getroffen.
De Vries: 'Ik had een Cinetone-studio ge regeld, en alles al uitgekiend voor de antenne, hoe die Lopik kon bereiken. Maar de omroepen wilden het niet, die wilden niet zo ver van Hilversum. Toen hebben we het nog haast weten door te zetten, gewoon voor Philips beginnen in Amsterdam. Natuurlijk Amsterdam. Alle toneelspelers woonden in Amsterdam. En alle musici, be halve misschien drie in Rotterdam. Het is toch te gek dat de burgemeester van Amsterdam met de trein of met de auto helemaal naar Hilversum moet om iets te komen vertellen.’
Dat burgemeester Van Hall in 1966 bij Mies-en-scene zat, waar hij in tranen uitbarstte vanwege de rellen op de Prinsengracht, kon alleen maar omdat deze talkshow uit Amsterdam werd uitgezonden.
De Vries: 'Hij zat bij Mies in “de stoel”. Ik had die stoel bedacht, die heb ik ontworpen. Een open acht. Het was een doodongelukkige stoel. Je zit zo face to face… Je moet er toch niet aan denken dat je daar met elkaar zit.’
Snoek: 'Het lijkt mij wel leuk.’
De Vries: 'Voor een gesprek, ja. Maar je kunt niet eeuwig blijven praten, eigenlijk moet je meteen zoenen en dan kun je beter maar weer opstaan.’
In het krantebericht over uw 'televisieballethuwelijk’ wordt de televisie beschreven als de jongste nieuwkomer onder de muzen. Blijkbaar werd televisie als een van de kunsten gezien.
De Vries: 'Dat is televisie nooit geweest. Het is toch voornamelijk een overdrachtsmedium. Je kunt met televisie kunst in de huizen brengen. Maar iets overbrengen is geen kunst - zodra je het kan is het geen kunst meer. Tele-visie is het trouwens ook niet; niemand kan nog “ver zien”. Dat je bedenkt: ik wil nu even in Australie kijken. Nu is het alleen nog maar mogelijk dat Australie jou iets vertoont. Televisie is een heel fout woord. Het is nog altijd “ver tonen”. En ik kan alleen maar kiezen tussen 22 of 25 kabelstations.’
Dat is al zo veel!
De Vries: 'Het is wel aardig ja, maar de wereld is groter. Ik kan niet kijken waar ik zelf wil. Er zitten altijd mensen tussen die jou voorzetten wat ze vinden dat ze je moeten voorzetten.’
VRIJHEID VAN KEUZE. De mensen vertellen wat er allemaal voor moois en interessants op de wereld bestaat. Dat is een drijfveer die hun handelen heeft bepaald. Nog niet zo lang geleden heeft Hans Snoek het initiatief genomen voor een organisatie die belangen verdedigt van figuratieve kunstenaars. Operatie Onmisbare Kunst. Uit haar directe omgeving kende ze kunstenaars die zich miskend voelden door de kunstwereld.
Snoek: 'Alles stond toen in het teken van de vernieuwing. Als het maar vernieuwend was, kreeg je subsidie of een expositie. Dat is natuurlijk onzin. Iemand die van nature anders is en alleen maar figuratief kan schilderen, telt daardoor niet mee, dat is toch bespottelijk! We wilden een grote ruimte hebben waar Amsterdamse schilders konden exposeren. Als ze zelf naar een galerie gaan is dat duur hoor, dat moet je zelf betalen. En in een museum zit een directeur en die zegt nee. Je bent afhankelijk van zijn smaak. Ik vind het onbehoorlijk dat je een maatstaf aanneemt van: het ene mag wel en het andere niet. Dans is toch ook alles: modern, klassiek. Nu is het alweer voorbij trouwens, die vijandschap, dat protest.’
Snoek is alweer uit de stichting vertrokken. Dat is misschien tekenend voor de manier waarop het echtpaar Snoek en De Vries zich inzet. Organisaties en stichtingen zijn er zolang ze nodig zijn, zolang ze gevoed worden door een behoefte.
Jullie hebben het grootste deel van jullie leven besteed aan kunst…
De Vries: 'Aan kijken en doen kijken…’
Snoek: 'Aan vergaderen! Niemand op de wereld heeft zoveel vergaderd als wij.’
Maar dat vergaderen was weer ten dienste van de kunst.
Snoek: 'Je doet het om iets te bereiken. Als er niet vergaderd wordt, ontstaat er ook niets nieuws.’
De Vries: 'Je wilt iets laten ontstaan, mensen aan het werk zetten.’
Snoek: 'Ik ben nu weer met een clubje bezig aan iets nieuws, maar ik weet niet of dat lukken zal. Om kinderen van vluchtelingen met kunst wat plezier te geven. Kinderen met ouders die daar geen geld voor hebben of geen interesse, willen we vrijkaarten geven voor voorstellingen, en misschien ook lessen. Er zijn heel talentvolle kinderen bij, die behoefte hebben aan iets muzisch en die daarin niet gevoed wor den. Er zijn wel theatergroepen die projecten doen voor vluchtelingen, maar dat is maar een keer en daarna is het over. Wij hebben gevraagd of ze het willen doorgeven als ze merken dat er een kind bij is dat hongerig is naar literatuur, muziek of dans. Wij proberen te bereiken dat zo'n kind geholpen kan worden. Voor mij is het makkelijk om mensen te bereiken, omdat ik veel mensen ken. Maar ik vind het het leukste om dingen te beginnen. Dan mag iemand anders daar weer mee verder gaan.’
MET KUNST BEZIG zijn was voor hen ook sociaal werk, vindt Hans Snoek. 'Bij Scapino hoefden de arme kinderen ook niet te betalen.’
De Vries lacht: 'Daarom heeft Hans ook balletles gegeven aan de vier prinsesjes op Soestdijk. Dat heeft ze vijf jaar lang gedaan.’
De kunst moest naar het volk gebracht, met alle mogelijke middelen. Maar Snoek en De Vries hebben allebei heel speciale ideeen over de manier waarop dat zou moeten gebeuren. De televisie van nu is niet helemaal wat Erik de Vries voor ogen had. 'Ik had het allemaal een beetje onderwijzeriger gewild. De mensen mochten alleen mooie en wijze dingen zien. Teleac is mijn kind. Ik heb het zo genoemd omdat ik een Televisie-cineac wilde. Want ik ben nog uit de tijd van de Cineac, waar ze hetzelfde programma twaalf keer per dag draaiden. Ik wilde met Teleac een programma van een uur op hoog niveau. En dat moest je in een week drie keer draaien: ’s morgens, ’s middags en ’s avonds. Herhalen, herhalen, zodat iedereen die het aandurfde het ook kon zien. En nu kan bijna iedereen het opnemen… Je ziet alweer…’
Dat didactische, dat had Hans Snoek ook. 'We hebben allebei iets met opvoeden. Ik geef nu Nederlandse les aan een groepje buitenlanders. Ik ken bijvoorbeeld mensen uit Israel die heel slecht Hollands praten en dan zeg ik: kom maar hier hoor, ik zal het je wel leren. Kennissen uit de danswereld ook. Er is een danseres bij, en iemand die decors ontwerpt.’
Ook de programma’s van Scapino hadden een didactische kant. De dans werd niet alleen aan kinderen vertoond, er werd ook informatie gegeven. Over de dans, over het verhaal.
Snoek: 'De Scapinofiguur was de verteller. Toen ik wegging is de naam Scapino gebleven, maar de verteller is meteen afgeschaft.’
De Vries: 'Het verhaal werd af en toe geadstrueerd door Scapino. Die zei dan: Nou denken jullie misschien dat ze boos is? Nou, geloof maar dat ze boos is! Het is ongelooflijk hoe kinderen daarop reageren.’
Snoek: 'Scapino was een soort ceremoniemeester. Hij was de vriend van de kinderen, een soort clown. Hij kreeg dus de meeste fanmail van iedereen.’
Speelde u zelf Scapino?
Snoek: 'Ja, dat heb ik af en toe gedaan.’
De Vries: 'Hans heeft alles gedaan.’
Snoek: 'In het begin danste ik de mooie prinses, en ik ben geeindigd als de achterkant van de ezel, of zoiets.’
HET VERDWIJNEN VAN zo'n vaste vertellersfiguur ervaren Hans Snoek en Erik de Vries als een gemis. Ze zijn enthousiast over de enorme ontwikkeling die het kindertheater heeft doorgemaakt, maar vinden het soms te moeilijk. Snoek: 'Ik ga vaak naar kindervoorstellingen in De Krakeling, en soms begrijp ik het verhaal niet eens. Waarom zou je niet even zeggen wie wat is, of waar het over gaat.’
De Vries: 'Iemand die vertelt wat er in het volgende bedrijf gebeurt. Zouden ze elkaar krijgen of niet… Niet alleen bij toneel, ook bij dans. Om kinderen later naar ballet te doen kijken, om ze ernaar te laten verlangen, is het ontzettend belangrijk dat ze het begrijpen en geboeid worden.’
Snoek: 'Nu denken ze: die kinderen moeten het maar mooi gaan vinden uit zichzelf. Dat vind ik fout. De televisiedocumentaire die over mij is gemaakt, heet De dans of het kind. Met mijn opvolgers bij Scapino had ik daar een woordenwisseling over. Zij zeggen: de dans is het belangrijkste. En ik vind het kind het belangrijkste. Want het kind moet van dans gaan houden.’
Maar misschien denken wij te snel dat kinderen iets niet snappen. Terwijl ze alles als vanzelfsprekend opnemen.
De Vries: 'Vanzelfsprekend? Laat maar lullen, zal je bedoelen. Ze denken niet: wat leer ik hier uit en waarom doen ze dit en wat beweegt hen om het zo te doen.’
Het is wel bijzonder dat het kindertheater van nu zich zo bezighoudt met wat er in de wereld gebeurt. De voorstelling van Wederzijds bijvoorbeeld, over Mirad, die jongen uit Bosnie.
Snoek: 'Dat vind ik ook belangrijk: dat de actualiteit op de een of andere manier gedramatiseerd wordt.’
De Vries: 'Maar een echt sprookje is ook heel wezenlijk. Met feeen.’
Maakten jullie bij Scapino ook voorstellingen over de actualiteit?
Snoek: 'Heel veel in 1966. Een negermeisje gaat naar school bijvoorbeeld. Dat was een voorstelling over een zwart meisje dat naar een blanke school ging en vreselijk werd gepest en uitgejouwd door de andere kinderen en hun ouders.’
Hadden jullie een zwarte danseres om dat meisje te spelen?
Snoek: 'Nee. Dat is een probleem geweest. Ik vond dat er een meisje donker gemaakt moest worden. Anderen zeiden: dat hoeft helemaal niet, ze kan gewoon blank zijn. We hebben haar blank gelaten, maar volgens mij werkte dat niet.’
De Vries: 'Alsof ze niet wilden weten dat er zoiets was als kleuraversie.’
Snoek: 'We hadden natuurlijk ook een donker meisje kunnen nemen. Al was dat voor dat meisje weer niet zo leuk geweest. Maar ze had het misschien dichterbij gebracht. Het was toen nog heel ver weg.’
JULLIE VINDEN allebei dat kijken een kunst is. Dat je mensen moet leren kijken.
De Vries: 'En zelfs leren om niet te kijken. Ik heb pas geleden nog reclame gemaakt voor een televisieloze week, of beter: voor een televisieloze maand. Zodat de mensen zichzelf weer eens moeten vermaken. En ontdekken wat het betekent om zonder televisie te zijn.’
Snoek: 'Ik zou meer voelen voor een dag in de week.’
De Vries: 'Dat vind ik te weinig. Minstens een week. Maar ze moeten dan wel het nieuws brengen. Of misschien moeten de mensen weer eens wennen aan het radionieuws.’
Snoek: 'Dat je niet de verleiding hebt om te kijken.’
De Vries: 'Ik heb daar wel last van. Lange films zie ik nooit, want dan is er tussendoor weer iets als Brandpunt, wat je beslist moet zien. We zien ook nooit een dramaserie. Zo'n serie gaat over dingen die al zijn gebeurd. Terwijl ik meer geinteresseerd ben in wat je nog niet weet, van nieuws tot documentaires. Toch is het heel dom dat we niet kijken, want er schijnen heel leuke dingen te zijn. Maar het is ook zo moeilijk om op een kanaal te blijven hangen, want die andere zijn misschien nog mooier, he?’ Hij lacht erom, en dan: 'Het is afschuwelijk, eigenlijk.’
In jullie tweede huis op Formentera hebben jullie bewust geen televisie?
Snoek: 'Nou, Erik heeft zo'n klein draagbaar dingetje.’
Die hele reality-tv, wat vind u daarvan? Daarbij wordt er wel heel veel van de wereld getoond.
De Vries: 'Meestal zet ik dat alleen maar op om te kijken hoe ze het doen. En niet wat ze doen. Ik kan me vaak verbazen over hoe mooi ze dat allemaal kunnen opnemen.’
En al die praatprogramma’s? Vindt u het belangrijk dat er zoveel over de problemen van de mensen wordt gepraat?
De Vries: 'Het zijn heel verleidelijke dingen. Je blijft ernaar kijken. Maar ik vind het ook een beetje geestelijke pornografie en dat heb ik er wel op tegen. Dat leegzuigen van mensen. Ik ben ook bang dat de mensen die met zo'n programma geholpen zouden kunnen worden, niet kijken. Ik zou ze willen dwingen om er op in te gaan. Er is maar een programma vanavond! En als jullie niet naar de schouwburg willen of lezen - dat mag ook - dan moeten jullie dit allemaal zien.’
BENT U NIET teleurgesteld dat de wereld er, ondanks jullie inspanningen, niet beter op is geworden?
De Vries: 'Nee hoor, de wereld kan alleen maar beter gaan, al wordt dat ook wel een heel lang verhaal.
Weten jullie trouwens dat er een grote uitvinding is gedaan? Ze hebben een radiotoestelletje uitgevonden dat je kunt opwinden, en dan speelt het vier uur. Er zit een dynamootje in, dus je hebt geen batterijen meer nodig. Dat is dus fantastisch. Voor in Afrika bijvoorbeeld…’