Telkens verzette de elite de bakens

‘Juist in zijn saaiheid kan het andere landen tot voorbeeld strekken.’ Historicus James C. Kennedy sluit zich aan bij de vermeende ‘grootsheid’ van Nederland, maar doet dat degelijk en terughoudend.

Dikkie Dikkie Aarnout , Dikkie Dikkie Flo, Dikkie Flo, Dikkie Flo, Dikkie Flo, Dikkie Ada, Willem Flo, Willem Flo, Jan is in ezelsbrugvorm de opvolging van de graven (en ene gravin) van West-Friesland en Holland tussen de negende en de dertiende eeuw. Eigenlijk moet er nog een ‘Gerulf’ aan voorafgaan; deze was in 885 betrokken bij de moord op de Deen Godfried die zich in het Hollandse kustgebied had gevestigd. Gerulf, mogelijk zelf een Deen, werd daarna door de Frankische koning met dat gebied beleend en mag dus gelden als de eerste graaf van Holland.

Generaties Nederlanders hebben dat rijtje in hun kop gestampt en zo een keten gelegd, een historisch verband, tussen het schimmige middeleeuwse verleden en het Nederland dat in de negentiende eeuw geboren werd en dringend behoefte had aan een pedigree. De Middeleeuwen waren daar toen belangrijk voor, maar inmiddels niet meer zo. In de ‘Canon’ van vijftig ‘vensters’ die in het onderwijs de ruggengraat vormen van het nationaal historisch besef zijn de Middeleeuwen teruggebracht tot vijf ‘thema’s’: de kerstening van de Nederlanden door Willibrord, de regering van keizer Karel de Grote, het Nederlands op schrift, de bloei van de Hanzesteden en leven en dood van graaf Floris de Vijfde (1254-1296), die zo sneu werd doorstoken bij Muiderberg. Van het hele riedeltje graven is er dus nog één over. In Een beknopte geschiedenis van Nederland van James Kennedy staat het gravental gelukkig nog op zes. Hij noemt Gerulf, Dirck II en Dirck III, Floris V, Willem I en Willem II. Hij beschrijft de hele vroege geschiedenis van Nederland in één hoofdstuk, eindigend in 1384, het jaar waarin Filips de Stoute de lage landen in bezit krijgt. Het volgende hoofdstuk eindigt in 1588 met het uitroepen van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Daarna volgen er nog vijf hoofdstukken. De Middeleeuwen komen er dus bij Kennedy net iets ruimer vanaf dan in de Canon.

James Kennedy is een populaire historicus en een gewaardeerde deelnemer aan het openbaar debat. Het onderhavige boek ademt in alles een geest van degelijkheid en terughoudendheid. Het is alleen al door die beknoptheid opmerkelijk, de hele santenkraam van homo heidelbergensis tot en met Geert Wilders komt hier in 387 pagina’s. Het is niet geschreven voor een Nederlands publiek. Het boek verschijnt als A Concise History of the Netherlands in een serie van Cambridge University Press, waarin ook beknopte geschiedenissen van Spanje, Brazilië, Finland, Bosnië, Bolivia en vele andere landen zijn verschenen.

Kennedy is een aantrekkelijke keus voor zo’n project. Hij komt ‘van buiten’: Amerikaan van Nederlandse oorsprong, opgegroeid in het calvinistische Orange City, Iowa. Hij werd in 2003 hoogleraar contemporaine geschiedenis aan de VU, daarna de opvolger van Piet de Rooy aan de UvA en is nu decaan van University College Utrecht. Zijn proefschrift, Building New Babylon, behelsde de culturele geschiedenis van Nederland in de jaren zestig. Dat alles bij elkaar maakt dat hij die geschiedenis kan bezien vanuit een internationale context, misschien wat minder gericht op het historisch discours in het land zelf, met al zijn stokpaardjes en ezelsbruggetjes. Dat discours is immers zeer levendig, de laatste jaren, en heeft zelfs sterk politieke trekjes gekregen. Een beetje distantie kan dus geen kwaad.

Large tula de revolt1 1
Tula: The Revolt. Film uit 2013 over de slavenopstand op Curaçao onder leiding van Tula © Benelux Filmdistributors

Kennedy concentreert zich op de politieke, economische en sociale geschiedenis. Hij is bepaald zuinig waar het cultuur betreft en hij slaat noodgedwongen grote stukken van de Aziatische geschiedenis over, maar hij heeft wel oog voor de Caribische landsdelen, omdat in een hedendaagse Nederlandse geschiedenis niet voorbij kan worden gegaan aan de slavernij. Kennedy besteedt terecht aandacht aan Tula, leider van de Curaçaose slavenopstand van 1795, en ook aan de arme Ghanees Jacobus Capitein, in 1742 de eerste zwarte promovendus aan de Universiteit van Leiden – of hij daar ook echt promoveerde is de vraag, overigens.

In de indeling van het boek is te merken dat Kennedy’s eigen expertise ligt bij de moderne Nederlandse geschiedenis, en hij is vooral goed thuis in de ontwikkelingen na 1870. Van enige specifiek christelijke opvattingen is weinig te merken. In interviews zei Kennedy eerder eens dat hij wist dat de geschiedenis onder goddelijke leiding staat, maar aangezien het verloop daarvan onzeker is, een christen-historicus zich bescheiden moet opstellen. Het lijkt mij dat Kennedy zich vooral de historicus A.Th. van Deursen ten voorbeeld heeft gesteld, die ook werd geïnspireerd door zijn religieuze overtuiging, maar tegelijkertijd een groot publiek wist te bereiken.

Is slavenhandel ook een voorbeeld van ‘innovatie’?

Degelijk en terughoudend, zei ik; het boek is zelfs opvallend traditioneel te noemen. Geschiedenis is, zoals u weet, ‘one damned thing after another’, en zo is ook dit boek opgevat. De condensatie in 380 bladzijden is zonder meer zeer knap. Niets wordt over het hoofd gezien. Bijna iedereen is er, bijna alle bekende figuren passeren, al worden ze zelden met meer dan één regel neergezet, met uitzondering van de stadhouder-koning Willem III, Johan van Oldenbarnevelt en Willem de Zwijger. Beknoptheid betekent bij Kennedy dat er vrijwel geen ogenblik wordt uitgeweid, verfraaid of ingekleurd. Er is geen ruimte voor ‘ervaring’. Kennedy laat vrijwel nooit een Nederlander aan het woord, met een pakkend citaat, een innemende dagboekaantekening of een persoonlijke noot. Het boek is voedzaam en droog als scheepsbeschuit. Hij is het meest energiek – ‘bevlogen’ zou misschien een te zware term zijn – in zijn beschrijving van de vernieuwingen in de tweede helft van de negentiende eeuw, de emancipatie van de katholieken, de verharding van de politieke verhoudingen, de tegenstand van de Aprilbeweging. Hij noemt daar Jos Alberdingk Thijm, ‘die het katholieke culturele leven nieuw leven in wilde blazen’, dezelfde Thijm die de bouw van het Rijksmuseum entameerde, die door de demonstraties van de Aprilbeweging op de Dam voor zijn leven vreesde en zijn familie de stad wilde laten ontvluchten. Plenty levendige details, maar daar is Kennedy niet van.

Ook in de interpretatie van de geschiedenis en het aanwijzen van lange lijnen is Kennedy eigenlijk nergens bijzonder origineel. Zijn uitgangspunt is dat Nederland wel degelijk een uitzonderlijk land is, dat ten onrechte door historici in buiten- en binnenland over het hoofd gezien wordt als ‘klein land’ met een rare taal. De factoren die het land ‘groots’ maken zijn de bekende. Door de ligging aan de zee, doorsneden door rivieren, werden de Nederlanders gedwongen tot samenwerking. Zij ontwikkelden zo bovenmatige ‘creativiteit en aanpassingsvermogen’ en de geografische positie wakkerde ook de handelsgeest aan. Verder kenmerkt de geschiedenis zich door een opmerkelijk levendige cultuur, religieuze diversiteit en ‘een eeuwenoude traditie van tolerantie’ of ‘omgangsoecumene’, een mooie term die Kennedy introduceert.

In de negentiende eeuw beleefde het land een wedergeboorte als eenheidsstaat, met een sterk zelfbewustzijn, ja zelfs een gevoel van morele superioriteit. De laatste decennia is het positieve zelfbeeld echter nadrukkelijk in verval, ook Kennedy spreekt van een ‘identiteitscrisis’. Maar: de ‘historische prestatie’ van de Nederlanders is nog altijd inspirerend. Het land heeft ondanks de vele ‘breuklijnen en minderheden’ overleefd, en zelfs gebloeid, het heeft van begin af aan met globalisering en immigratie te doen gehad, en dat alles opgevangen met een grote mate van stabiliteit.

Dat klinkt saai, maar juist in zijn saaiheid kan het andere landen tot voorbeeld strekken. De oorsprong van dat succes ziet Kennedy al diep in die donkere Middeleeuwen. Het ontbrak hier al in de Romeinse tijd aan centraal gezag. De macht werd gedeeld. De adel en de kerk waren relatief zwak; er was een onafhankelijke boerenstand en vanaf de twaalfde eeuw komen overal de steden tot bloei. Bovendien kenden de Nederlanders nog andere politieke entiteiten, zoals de waterschappen en de Hanze. Alle latere pogingen tot centralisatie of de introductie van een eenheidscultuur door Bourgondiërs en Habsburgers liepen uit op verzet. Pas na de Franse tijd komt aan die decentrale staatsvorm een eind, maar het openbare leven blijft gefragmenteerd, in zuilen en ‘eigen kringen’. Die fragmentatie vormt echter weer de basis voor een stabiel democratisch systeem, dat nog altijd stand houdt. Kennedy merkt op dat de elite in dat systeem altijd tijdig de bakens heeft verzet en revoluties daarom zelden tot echt bloedvergieten hebben geleid.

Het is allemaal waar, al had dat oordeel ook wel wat scherper gekund. In de behandeling van de slavernij merkt Kennedy bijvoorbeeld op dat de Nederlanders de slavernij afkeurden, maar dat ze hun morele reserves heel makkelijk opzij schoven – de slavenhandel was domweg te lucratief. Is dat ook een voorbeeld van ‘creativiteit en aanpassingsvermogen’ of is het gewoon ‘rücksichtslos opportunisme’? Is slavenhandel ook een voorbeeld van ‘innovatie’?

Kennedy schreef in het Engels en zijn echtgenote vertaalde naar het Nederlands, maar haar stijl is nogal lelijk – zinnen beginnen vaak met ‘Maar’ of ‘En’ – en het aantal foutjes is een tikje irritant. De Hanzesteden zullen bijvoorbeeld niet geleden hebben onder de ‘verzilting’ van de Zuiderzee, maar wel onder de ‘verzanding’. ‘Salians’ zou ik vertalen met ‘Saliërs’, en voor het ‘Heilige Romeinse Rijk’ zou ik liever ‘Heilige Roomse Rijk’ gebruiken. Ook de schrijver zelf is niet altijd even trefzeker. Amsterdam kreeg pas na 1300 stadsrechten, niet in 1275. Ik hoorde ervan op dat Nijmegen en Elst ‘Keltische’ steden zijn geweest, een term die uiterst glibberig is en waar je wel drie keer over moet nadenken. Hetzelfde geldt voor het opvoeren van ‘De Muiderkring’ rond P.C. Hooft: het is zeer onzeker dat die echt zo heeft bestaan als Kennedy hier lijkt te denken. In het register worden met ‘Willem III’ twee verschillende Willems aangeduid.

De meest ergerlijke fouten zitten echter in de illustraties en de soms raadselachtige bijschriften. Het werkje van Van Gogh is geen schilderij maar een tekening. In één kaartje zitten de kleuren in de legenda precies verkeerd om en de inwoners van Schouwen-Duiveland zullen ervan opkijken dat hun eiland bij de Watersnood van 1953 van overstroming gevrijwaard bleef.