Tellen en wegen

Tellen en wegen heet de nieuwe dichtbundel van K. Schippers. Het is zijn eerste dichtbundel sinds Een vis zwemt uit zijn taalgebied uit 1976. Met de verzameling Een leeuwerik boven een weiland (1980) leek hij de poëzie voor eeuwig af te sluiten. Poëzie gepresenteerd als gedichten dan, want in zijn romans, zijn essays en de films die hij maakte met Kees Hin is genoeg poëzie te vinden. Ook letterlijk.

K. Schippers beleeft op zijn 75ste een opmerkelijke bloei. Vorig jaar verscheen De bruid van Duchamp, geen biografie maar wel een zoektocht naar het leven van Marcel Duchamp. En eigenlijk vooral het boek dat het meest over Schippers zelf vertelt. Vanaf het prille begin van zijn schrijverschap is hij door Duchamp gefascineerd. Het is geen boek dat je zou kunnen bedenken, wel een waarmee hij achteraf, na zoveel decennia reizen naar werk en woonplaatsen van Duchamp, verslag kan doen.

Dat geldt ook voor de nieuwe dichtbundel, Tellen en wegen. Schippers herneemt zijn motieven, of een streep een vel papier zwaarder maakt, of iets bestaat ‘zodat jij het ooit/ zou kunnen zien’. Hij beschrijft korte momenten, een slapende elleboog in een hotel, indrukken die je maar even hoeft te onthouden en toch blijft onthouden. ‘goed onthouden, niet vergeten,’ schrijft hij instructief over een vergelijking tussen de kaart van een dierentuin en de vleugel van een vlinder. Het lijkt alsof hij de dingen samenvat, zoals in het gedicht ‘Slijpsel’:

Op een kast in mijn klas

stond een wereldbol

daaronder zette ik

een puntenslijper

in de vorm van

een wereldbol

en zo herinner ik me

mijn werelden als ik

het sterrenslijpsel

aan de hemel zie

Het werk van K. Schippers is opgebouwd uit observaties: een vrouw op een terras gaat elders staan praten en laat haar tas achter. En plots is daar emotie: ‘de troost van de tas’ als hij even met zijn vinger over de ‘aangename vouwen in het leer’ gaat. Schippers gebruikt het woord ‘richtingspaspoort’ als hij het over badminton heeft, hij verklaart wat er bij het spel gebeurt. ‘Is kijken/ lichtgevoelig/ tasten?// Is tasten/ in de blinde/ zien?’ Je bent al lezend ‘verloofd met de wind en je kunt het niet eens/ zo gauw uitmaken’.

Ook de titel Tellen en wegen herneemt zijn eerdere oeuvre. Opnieuw staan er dozen op tafel, net als in zijn vroege werk. Optelsommen, ready-mades, van dadaïstisch minalisme tot aan verhalende gedichten over een zwerver in de Ritz. Het werk van Schippers is altijd te herleiden tot ideeën, met speelsheid en lichtheid uitgewerkt, gebaseerd op waarneming en begoocheling. In Tellen en wegen zie je de uiteenlopende gedaantes die dat kan aannemen. Een gedicht bijvoorbeeld dat louter bestaat uit voorzetsels, uit die woorden die alleen maar de plek van iets anders aanduiden. Er zijn typografische gedichten, zinnen die in een lint of een slinger lopen: ‘en als je nu vergeet dat wat je leest taal zou zijn? Zie je dan vreemd gevormde linten en kunnen die dan nog mooi zijn?’

Een minder bekend onderdeel van het oeuvre van K. Schippers is film. Het tijdschrift Barbarber verried al een voorliefde voor film: een nummer bestond alleen maar uit een aaneenschakeling van trailers voor B-films. Samen met de cineast Kees Hin heeft Schippers veel scenario’s geschreven, voornamelijk documentaires maar ook speelfilms. Het zijn bijzondere documenten: 130 bewoners van een Haarlemse straat lezen allemaal na elkaar een zinsdeel van Roodkapje, gefilmd in een en dezelfde stoel, om maar een voorbeeld te geven. In Raster legt Schippers uit dat hij van het monteren van die films veel heeft geleerd voor het maken van romans. En dan gaat het om meer dan montagetechnieken alleen. In de speelfilm Het schaduwrijk (1993) past hij dezelfde truc toe om in het verleden terecht te komen als in zijn door de Librisprijs bekroonde roman Waar was je nou (2005).

Ik denk dat de lenigheid van K. Schippers eruit bestaat dat hij voorbij de genres denkt. In wezen is hij niet in literatuur of kunst geïnteresseerd, hij zoekt simpelweg een toepassing voor zijn idee. Zijn eerste ‘roman’ (Een avond in Amsterdam, 1971) bestond uit twaalf gesprekken met een kantoorklerk over hoe die van zijn werk naar huis liep. Een hele roman lang, over vraagstukken of je knoopjes van de boord wel of niet vastdoet, en hoe je een trap afloopt. Die minutieusheid is kenmerkend, en wellicht speelt er ook mee dat hij het graag over het gewone heeft en dan ook zo radicaal als maar kan. Natuurlijk wordt hij ouder, vrienden sterven of zijn gestorven. Er komt meer ontroering in zijn werk. Van een Antilliaanse vrouw bij wie de dichter twee batterijen koopt, vraagt hij zich af of hij de amandelen ook zou kunnen kopen. Hoeveel wegen de amandelen van een verkoopster? ‘kijk uit/ hier verstijven/ gedichten/ algauw / tot spreekwoorden’ opent het gedicht ‘In het volle land’. Aangrijpend is een gedicht dat alleen uit korte hulpeloze vragen aan een zieke in een tehuis bestaat, of uit uitspraken van nabestaanden van de Bijlmerramp. Ook als Schippers met die ontroering aan het werk gaat, blijft hij een vakman, beheerst en uitgemeten. ‘een muis beweegt zich / of hij er op sommige / plekken niet mag zijn’ is mooi precies. En ook is er lyriek: ‘Geef mij het geruis van je katoen./ De wind kan wel zonder.’

Het lange gedicht ‘A propos de Nice’ draagt dezelfde titel als een documentaire uit 1929 van Jean Vigo, over de beau monde die flaneert langs de boulevard van de Mediterrane badplaats. Schippers heeft het geschreven voor een vertoning van de stomme ofwel zwijgende film: het is een filmessay dat met stem over de film heen is gelegd. Soms raakten tekst en beeld elkaar, zei hij bijvoorbeeld dakgoot dan zag je ook net een dakgoot. Het was tellen, passen en meten om uit te voeren, een verhaal bij bewegend beeld. Zoals een explicateur in vroeger tijden de film uitlegde, zo stond de dichter 75 jaar na het maken de film toe te lichten. Het is een gedicht geworden en niet een essay, maar het stelt wel het een ander over de filmer. ‘In opstand wil hij komen/ tegen de baan van zijn oog.’ En: ‘In opstand tegen de baan van z'n/ blik betrapt hij de beelden die op niets kunnen/ bogen, zonder bewakingscamera.’

Het werk van K. Schippers, hoe zorgvuldig en precies het ook is, treedt graag buiten de perken. ‘Elk bord belet of belooft’ zegt hij over verkeersborden en bordjes met opschriften. En over dingen die er wel zijn maar zo vanzelfsprekend dat je ze eigenlijk niet meer ziet. ‘Ze horen/ bij het vertrouwde dat nauwelijks meedoet// aan wat zichtbaar is.’ En zo lukt het hem om poëzie buiten het gedicht om te brengen, zonder in de val van het ‘poëtische’ te vallen, de dingen al te sierlijk te maken. Ik snap het wel, die weerzin tegen een gedicht als gedicht. En toch ben ik dolblij dat K. Schippers weer een bundel gemaakt heeft. Tellen en wegen is sterk en aanstekelijk variété.

K. Schippers. Tellen en wegen. Querido. 84 blz., €18,95