Ter Braak kon niet schrijven

Tema con variazione

Ook ik ben lang niet vrij van gemengde gevoelens jegens Menno ter Braak, maar de wijze waarop hij inmiddels tot de grond wordt afgebrand bevalt mij toch niet helemaal. Frits Bolkestein is, in een opstel in het Hollands Maandblad, de zoveelste die «Afscheid van Ter Braak» neemt, al blijft van het door hem beloofde «demasqué van een intellectueel» grotendeels beperkt tot kritiek op de verregaande ondoorzichtigheid van Ter Braaks woordgebruik. Een voorbeeld is een citaat uit De nieuwe elite, een boekje uit 1939: «Onze elite», zegt Ter Braak, «die niet is, maar wordt, is de ‹schipperende› elite, de elite der geboren schipperaars tussen Scylla en Charybdis.» Is het doel van de schipperaar de veilige haven? «Neen, gedurende het schipperen is het schipperen zijn doel.»
Bolkestein noemt het terbraakiaans een «rijkelijk duistere taal». Het is een reëel probleem dat onze pogingen tot begrip van deze denker in de weg staat. Zijn romanfiguren spreken Pieter-Stastok-Hollands en zijn essays verraden een al te intieme omgang met Friedrich Nietzsche en Oswald Spengler, vertaald in een soort jargon dat in de jaren dertig in Nederland diepte en denkkracht suggereerde. Het lijkt waarachtig wel of ik een hekel aan Ter Braak heb, terwijl ik die man in werkelijkheid tamelijk grappig vind, met zijn driekwart mislukte oeuvre, wat zestig jaar na onze dood ons aller lot zal zijn, zijn critici — W.F. Hermans en Frits Bolkestein — niet uitgezonderd.
Ik kocht, vastbesloten de wereld te doorgronden, als jongen van een jaar of achttien de Stoa-uitgave van Ter Braaks Politicus zonder partij en installeerde mij daarmee op een raamplaats in de serre van het Oranje Hotel te Leeuwarden. Rond de belendende tafeltjes slurpten de veehandelaren luidruchtig de berenburger het grage keelgat in, terwijl ik — geheel de weetgierige achterneef van Kees de Jongen — met een studieus gezicht mijn kanttekeningen in de marge van het boek krabbelde. Ik wil niet beweren dat ik helemaal niets van de tekst begreep. Zo was Ter Braaks aanval op de «krachtpatsers en spierproleten», wier «brute physieke kracht» zo schamel met de «cultuurmensen» contrasteerde, mij, als eierhoofd en kippenborst, uit het hart gegrepen. Voor de rest begreep ik nauwelijks waar de auteur het over had. Het gaat inmiddels, veertig jaar later, wat beter, nu ik bij benadering weet wie Nietzsche en Spengler zijn geweest. Niettemin heb ik nog steeds het onbehaaglijke vermoeden dat iemand die zich zo beroerd placht uit te drukken onmogelijk veel te vertellen kan hebben gehad.
Ter Braak is het product van een tijd waarin het meest drabberige taalgebruik als een bewijs van de ultieme intellectuele scherpte en diepgang werd beschouwd. Dat misverstand heeft tot ver na de oorlog voortgewoekerd. Het was volstrekt ongebruikelijk om van iemand te eisen dat hij of zij, denker of politicus, hoeveel denkkracht de betreffende persoon ook vertegenwoordigde, zich in verstaanbaar Nederlands uitdrukte.
Wie is eigenlijk de eerste geweest die de moed had te constateren dat een groot deel van Ter Braaks oeuvre in feite onleesbaar is?
Was het W.F. Hermans, zijn meest genadeloze criticus? Ik heb er het opstel Schrijven tussen aanhalingstekens (1963) nog eens op nagekeken. Dat gaat over alles, van Ter Braaks knijpbril tot Ter Braaks dicht tegen de diverse Duitse denkkolossen aanleunende intellectuele horizonten. De kritiek op het jargon blijft, anders dan men zou verwachten, beperkt tot zegge en schrijve één schimpscheut over «het totaal verwarde geschrijf van Ter Braak».
Ongeveer tegelijkertijd verscheen Karel van het Reves recensie van de vier dundrukdelen omvattende briefwisseling tussen Menno ter Braak en E. du Perron, bij welke gelegenheid de criticus de moeite nam de essaybundel Afscheid van domineesland te herlezen. Hij viste honderd woorden uit de stilistische modder, die ik u omwille van de leesbaarheid van dit stukje zal besparen, en constateerde: «Van zulk soort alinea’s begreep ik niets; ik begrijp er nog steeds niets van.»
Van het Reve gaf, in alle oprechtheid, verre de voorkeur boven de polemist en recensent: Ter Braak als de beoefenaar van journalistieke genres die de schrijver tot verstaanbaarheid en economisch taalgebruik dwingen. Oprecht engagement, bedenk ik, kan in dit opzicht trouwens ook geen kwaad. Lees bijvoorbeeld Ter Braaks voorwoord bij Willem Paaps sleutelroman Vincent Haman of zijn In Memoriam van Carry van Bruggen, de bewonderde schrijfster van Prometheus, het boek dat «een koppige streep door mijn philosopisch kasboek» had getrokken.
Daarmee is de vraag nog steeds niet beantwoord wie voor het eerst in het openbaar heeft geconstateerd dat Ter Braak over het algemeen een matig stilist is geweest. Stom toevallig stuitte ik op een vergeeld exemplaar, uit 1950, van het maandblad Libertinage. Daarin stond een tamelijk hardhandig stuk over Ter Braaks «woord-fetichisme», zijn «paradoxaal abacadabra», zijn «komische hoofdletterstijl», die speciaal voor «eerbiedswellustigen» leken te zijn vervaardigd. De auteur was de jonge Huib Drion, de latere vice-voorzitter van de Hoge Raad en reeds een halve eeuw een van de beste essayisten van Nederland.
Waarom is Ter Braak niettemin zo beroemd geworden? Frits Bolkestein geeft een aanzet tot een verklaring. Ter Braak pleegde in mei 1940, toen de Duitsers Nederland binnenvielen, zelfmoord, wat een dramatisch en smartelijk slotstuk van zijn biografie betekende. Het heeft, zonder dat ik dit cynisch bedoel, iets aan zijn reputatie van onverschrokken voorvechter van recht en vrijheid bijgedragen.
Hij pleegde zelfmoord, zoals trouwens ook zijn vader en grootvader hebben gedaan, blijkt uit de Ter Braak-biografie van Léon Hanssen. «Dat werpt een ander licht op die daad», zegt Bolkestein. Ik vind dat een verschrikkelijke conclusie, die het handjevol overgebleven terbraakianen ongetwijfeld dwars tegen de haren in zal strijken, waarmee nog niet is gezegd dat Bolkestein ongelijk heeft.