Het genot van het herlezen

Tema con variazioni

Zuchtend laat ik mijn blik langs de drie planken onnut drukwerk glijden die straks naar de firma De Slegte zullen verhuizen.


Weg met de rotzooi!


Resteren nog die dertig planken, elders in de woning, die ook wel eens zouden moeten worden gezuiverd, maar waartoe ik tot nu toe niet de moed heb kunnen opbrengen. Het stadium van het varkenslederen blufbehang ben ik allang voorbij. Toch geeft mij de verkoop van boeken nog steeds een gevoel van onbehagen. Het is of je je kinderen naar een abattoir brengt.


Die kinderen zijn allang het huis uit. Gelukkig maar, er was voor hen inmiddels geen plaats meer geweest. Ook de keukenplank is onlangs door de leeswolf in beslag genomen. Hoe kunnen die stapels zo krankzinnig snel groeien? Was ik maar zo wijs als de bediende van Immanuel Kant! Die liet in afwachting van de komst van zijn meester een bezoeker in de bibliotheek. Deze verbaasde zich over het feit dat het boekenbezit van de filosoof uit zegge en schrijve één plankje bestond. Waarop de bediende antwoordde: ‘Der Herr Professor und ich schreiben unsere Bücher selbst.’



Het wordt tijd ons literaire consumptiepatroon eens duchtig te relativeren. Ooit was het mijn ideaal alles te lezen wat de boekwinkel te bieden had. Inmiddels ben ik een stuk wijzer. Zelfs de veellezers onder ons brengen het bij leven en welzijn niet verder dan één procent van het bestand van een gemiddelde provinciebibliotheek. Alleen al het bijhouden van het eigentijdse Nederlands is inmiddels een dagtaak geworden, een dagtaak die al te vaak in verbittering eindigt, in de wetenschap dat er wéér een aantal kostbare uren is verspild.


De geniale inval, de grote lijn, de meeslepende formulering, de ingenieuze plot en de filosofische driedubbelgelaagdheid zijn nu eenmaal niet iedere auteur gegeven, zelfs niet de auteurs in het schrijfbeluste Nederland, waar iedere inwoner van boven de achttien een onuitgegeven roman in de keukenla heeft liggen.



Wat is het thema van serieuze literatuur? Het is de barre zoektocht naar geluk, met zijn tweeën, via een drie- à vierhoeksverhouding, of desnoods in eenzaamheid. Dit thema is inmiddels veelvuldig behandeld, niet zelden door schrijvers (Flaubert, Tsjechov, De Maupassant, Schnitzler) die uitstekend uit hun woorden konden komen. De eigentijdse schrijver heeft hieraan wel degelijk iets toe te voegen. Het zijn de parafernalia van het leven anno nu: de drugs, het moderne levensgevoel en het geworstel (dit thema was rond 1900 niet zo courant) om met de religieuze terreur van ouders en andere opvoeders in het reine te komen.


Ik onderschat dit niet. Er wordt onmiskenbaar kwalitatief hoogstaand eigentijds proza op de markt gebracht. Deskundigen becijferen het op een procent. Voor de rest heb je al te vaak het gevoel een kat in de zak te hebben gekocht.


Gelukkig zijn er gekwalificeerde gidsen in deze letterkundige overkill. Het is de betere boekhandelaar, en die ene literaire criticus, in wie wij enig vertrouwen hebben. Maar ook de literaire critici is niets menselijks vreemd. Dus voor je het weet heb je een stapel van Willem Brakman of een berg van Gerrit Krol naast je legerstede liggen en grijp je, teneinde de wurgende verlatenheid in de nacht het hoofd te bieden, vertwijfeld naar de Donald Duck.



Er bestaat een blad dat Doodgewoon heet en zich in het leed en de ellende rond het stervensproces heeft gespecialiseerd. Een der vaste rubrieken heet ‘Voordat de ogen sluiten’. Hierin mag een gastschrijver vertellen wat hij of zij nog lezen wil voordat hij of zij definitief uitgelezen is. Deze keer was het woord aan Elsbeth Etty, redactrice van NRC Handelsblad. ‘Mocht ik honderd worden’, schrijft zij, ‘kan ik het me permitteren om in alle rust A la recherche du temps perdu van Proust in het Frans te lezen, Ulysses van James Joyce, Dantes Divina Commedia, Musils Der Mann ohne Eigenschaften, Spinoza’s Ethica, het verzameld werk van Plato, alle Griekse tragedies, de hele Russische Bibliotheek van Van Oorschot en per dag drie gedichten van Herman Gorter om uit mijn hoofd te leren. Ik stel me voor dat ik dan op een Grieks eiland woon en op een terras aan zee, dag na dag en jaar na jaar, de tijd dood.’


Een sympathieke, maar in niet alle opzichten verstandige keuze. Waarom zou je op je tachtigste de tijd doden met Joyce’s Ulysses als je dat op je dertigste al een stomvervelend boek vond? En waarom zou je op je vijfentachtigste je tijd verspillen aan de verzamelde Plato, als je die op je vijfendertigste al een nietsnut vond?



Het moet radicaler, naar mijn smaak. Eigenlijk zou men, in een bepaald stadium van het leven, een rigoureus besluit moeten nemen, het besluit het lezen op te geven en je voor de rest tot herlezen te beperken.


Dat zou een zegen zijn. Het spaart je handenvol geld, het scheelt een zee van ruimte, je ontdekt onvermoede afgronden in alom erkende meesterwerken en bovenal, al die stofnesten kunnen tot zegge en schrijve één boekenkast versoberen.


Of misschien wel minder. Het is heel goed voorstelbaar om de leeshonger voor de rest van je leven met de Russische Bibliotheek te stillen, met het jaarlijks herlezen van Madame Bovary bij wijze van afwisseling.


Zouden wij er werkelijk zoveel slechter aan toe zijn als ons slechts het verzameld werk van Vladimir Nabokov ter beschikking stond? Of dat van Brecht? Of dat van Proust? Of dat van Shakespeare? Met als bonus de Heilige Schrift, de driedubbelgelaagde bestseller aller bestsellers.


Lezen is mooi. Herlezen is het ultieme genot. Het enige minpunt is dat het consequent herlezen de betere boekwinkelier het brood uit de mond zal stoten, een onvriendelijke daad in een wereld van toenemende cultuurbarbarij, die ik liever niet op mijn geweten wil hebben.