Heil aan jou, mijn vrije moederland

Tema con variazioni

Sergej Michalkov ontmoette ik dertig jaar geleden in de wandelgangen van de Inter nationale Conferentie over de Problemen rondom de Berechting van nazi-misdadigers, belegd in het Huis der Architecten te Moskou. In feite was dat helemaal geen conferentie, maar een deftig aangeklede Hetz-campagne tegen de Bondsrepubliek Duitsland, die zich — zo luidde ongeveer de strekking van de betogen — op de Derde Wereldoorlog voorbereidde, dit keer onder aanvoering van de revanchisten Willy Brandt en Gustav Heinemann. Met andere woorden, het was een en al stalinistische paranoia en propaganda, aangevoerd door diegenen die onder het vaderlijk toezicht van de Grote Leider en Leraar het vak hadden geleerd.
Zij zijn ondertussen allemaal dood, god zij geloofd. Dacht ik, totdat ik een paar dagen geleden de kop van Sergej Michalkov (inmiddels 87) in NRC Handelsblad terugzag. Hij was in zijn tijd een hele bons binnen het politieke en intellectuele leven: voorzitter van de Schrijversbond, partijdichter, schrijver van kinderboeken en twee keer (eerst op last van Stalin, later op bevel van Brezjnev) verantwoordelijk voor de tekst van het Russische volkslied. Hij speelt nog een bijrolletje in Joeli Daniëls novelle Hier is Moskou als een van de pennenvoerende meelopers die door middel van verzen in het tijdschrift Literatuur en Leven het volk — getrouw aan de wil van de Partij — rijp tracht te maken voor de Dag van het Vrije Moorden.
Dit soort proza was in de Sovjet-Unie van die dagen vrij riskant. «De fascist Daniël» kreeg dan ook vijf jaar strafkamp en zijn collega, «de vierderangs kladschrijver Andrej Sinjavski», kreeg twee jaar meer, mede dankzij de Schrijversbond van Sergej Michalkov die de twee dissidente auteurs had gekwalificeerd als «dit uitvaagsel» dat zich «met ziekelijke wellust met seksuele en psycho-pathologische problemen» had opgehouden. In boeken die in het buitenland waren verschenen, want in de toenmalige Sovjet-Unie had de censuur ongetwijfeld…
De censuur? Michalkov probeerde tegen over mij, hooggeplaatste gast van het regime, een klassiek misverstand uit de weg te ruimen. «In de praktijk heeft de censuur bij ons nauwelijks een corrigerende functie», zei hij. «In feite zijn wij, de redacteuren van een tijdschrift of uitgeverij, diegenen die uitmaken wat er al dan niet in druk verschijnt. Ik zal u vertellen hoe dit in het algemeen in zijn werk gaat. Een schrijver komt bij de redactie van een tijdschrift en brengt een roman mee. Dat boek wordt door een of meer redacteuren gelezen. Soms bevalt het: dan wordt het, na de nodige inhoudelijke correcties, gedrukt. Meestal bevalt het niet: dan zegt de betreffende redacteur, nadat hij met de schrijver over de inhoud van het boek heeft gesproken, uiteindelijk: ‹Het spijt me, ik vind uw boek zeer de moeite van het lezen waard, maar ik ben bang dat de censuur het niet zal tolereren, vandaar dat wij het liever niet in ons fonds opnemen.› Zo weten wij publicatie te voorkomen zonder dat de censuur eraan te pas komt. Niet de censuur, maar de hoofdredacteur van een bepaald periodiek of een bepaalde uitgeverij oefent bij ons de macht uit in het literaire leven. Normaal gesproken komt het zelden of nooit voor dat de censor een andere dan de gedrukte versie van een bepaald boek onder ogen krijgt. Dat betekent dat er nooit moeilijkheden zijn, want wij, de redacteuren, zorgen er wel voor dat deze gedrukte publicaties niets aanstootgevends — zoals militaire geheimen of pornografische passages — bevatten. Laat u dat maar ons over.»
Wat zou lul-de-behanger in het Russisch zijn? dacht ik ondertussen. Het merkwaardige was dat de man nota bene in zijn eigen beweringen leek te geloven.
Maar, opperde ik, als die Russische censuur inderdaad zo tolerant is, hoe komt het dan dat ik in de kiosk van hotel Rossia uitsluitend partijperiodieken als de Pravda, de Rude Pravo en Neues Deutschland vind en eerbare, zij het niet-communistische kranten als The Times, Le Monde en de Süddeutsche Zeitung ontbreken?
Daar dacht ik veel te lichtvaardig over, sprak Sergej Michalkov berispend. «Denkt u zich eens onze situatie in. Wij kunnen best elke dag een exemplaar van The Times uit Engeland laten overvliegen. Dan leggen wij die krant in onze krantenkiosk en als er die dag toevallig een Engelsman in het hotel is zullen wij die krant inderdaad wel kwijt raken. Maar wat moeten wij doen als die dag nu eens géén Engelsman in dat hotel woont? Dan zitten wij met dat onverkochte exemplaar. Met andere woorden: dat wij geen vreemde kranten importeren is helemaal geen kwestie van politiek, maar een kwestie van economie. Begrijpt u?»
Toen viel de Muur, en vervolgens werd het communisme naar de mestvaalt van de arbeidersbeweging getransporteerd. De dissidenten kwamen op vrije voeten en een enkele, heel enkele keer nam zo’n partijfunctionaris de plaats op de vrijgekomen strozak in. Niet Sergej Michalkov, de man die door Joeli Daniël indertijd al als «een politieke weerhaan» is gekwalificeerd. Terecht, zoals blijkt uit het bericht dat Michalkov, de copywriter van Stalin en Brezjnev, thans voor de derde keer de tekst van een nieuw Russisch volkslied heeft mogen schrijven, dit keer op uitnodiging van president Vladimir Poetin. Een fragment: «Rusland, onze heilige staat, Rusland, ons geliefde land. Zijn machtige wil, een grootse glorie zijn erfenis voor de eeuwigheid. Heil aan jou, ons vrije moederland! Eeuwige unie van broedervolkeren, wijsheid, door onze voorvaderen doorgegeven, heil aan ons land! Wij zijn trots op jou.»
Toegegeven, als wij de volksliederen, in oost en west, aan literaire maatstaven zouden toetsen, werd het zeer stil rond de internationale voetbalvelden. Maar dat uitgerekend deze obscure Michalkov, jarenlang de aanbrenger van zijn wat vrijmoediger collega’s, nota bene op uitnodiging van de hoogste functionaris van de natie… Het blijft een KGB’er, deze Poetin, zelfs als men begrip kan opbrengen voor het feit dat echte, gekwalificeerde Russische dichters als Osip Mandelstam en Anna Achmatova, om welke reden dan ook, niet in de prijzen zijn gevallen.