Een kraakhelderwit boordje

Tema con variazioni

Mijn eerste contact met Antoine Bodar moet halverwege 1992 hebben plaatsgevonden, op een diner dat Uitgeverij Balans voor haar auteurs organiseerde. In afwachting van het voorgerecht zaten wij al flink aan de fles, toen plotseling het geroezemoes verstomde. Aller ogen richtten zich op Antoine Bodar. Verstild, enigszins verlaat, stond hij op de drempel van de eetzaal en monsterde ons met een niet onwelwillende blik, het habijt rond de slanke lendenen gespannen en de witte boord, gesneden naar het nieuwste Romeinse model, rond de zwanenhals.
Dat was dus die befaamde Antoine Bodar, die ik voordien slechts kende van dat hooggestemde kunstfilosofische prachtprogramma Eeuwigh gaat voor oogenblick, met veel Burckhardt, Petrarca en Boethius, een programma dat ik nochtans onmiddellijk placht af te zetten, omdat niemand graag zijn fundamentele gebrek aan kennis en beschaving krijgt ingepeperd. Wat wist ik verder van Antoine Bodar? Het beperkte zich tot het verhaal dat hij, schoon als de David van Michelangelo, in zijn beste tijd de gehele gelijkgeslachtelijke hoofdstedelijke grachtengordel heeft behaagd, tot het onvermijdelijke moment dat hij zijn lid moegestreden aan de wilgen hing en, onder de protectie van Maria, Moeder van God, besloot de gelofte der kuisheid af te leggen.
Zo kreeg Nederland er een nieuwe priester bij, een blijde boodschap in de uitstervende kerkprovincie die inmiddels gedwongen was haar personeel uit het katholieke Polen te importeren.

De kennismaking werd hernieuwd in 1997. Ik had een boekje geschreven over Bachs Mattheus Passie en werd daarom uitgenodigd mijn zegje te doen in de tv-talkshow van de EO-presentator Andries Knevel. De andere gasten waren Antoine Bodar en prof. Willem Ouweneel, net als Bodar filosoof en theoloog, zij het aan de Evangelische Hogeschool van Amersfoort. Wij dronken voor de uitzending onze koffie en tastten elkaar voorzichtig af.
Wat was onze favoriete Mattheus-interpretatie?

Ik hield het op vooruitstrevende dirigenten als Ton Koopman en Nicolaus Harnoncourt. Ouweneel bleek een sterke voorkeur te hebben voor de brede, epische benadering van een dirigent als Eugen Jochum. «Van die eigentijdse uitvoeringen met die jongetjes moet ik eigenlijk niets hebben.»
«Ik hou daar eigenlijk wél van», zei Bodar.
«Daar kijk ik geen moment van op, Antoine», zei ik.

Bodar was, verzekerde hij, sinds zijn priesterwijding in 1992 strikt celibatair, wat hem op een milde berisping van zijn collega-katholiek Gerard Reve kwam te staan. Wat was er, priester of niet, tegen een gezonde homoseksuele verhouding? Waarom geeft Bodar geen ondubbelzinnig antwoord op deze vraag? «Je bent nogal gesloten en relativatie of zelfspot zijn niet je best ontwikkelde vermogens.»

Bodar is van den beginne af aan in zijn eigen kerk met een scheef oog bezien. Hem wordt verweten zich van louter Schöngeisterei te bedienen, ondertussen waardevrij brevierend langs de Via Appia, in plaats van de sloppenwijken van Rome in te gaan, waar hij immers het risico loopt zijn kraakhelderwitte priesterboordje te bevuilen. Hier dient Antoine Bodar nadrukkelijk in bescherming te worden genomen. De een werkt met zijn handen, de ander met zijn hoofd. De vraag is echter of hetgeen zich in het fijnbesneden hoofd van Antoine Bodar afspeelt de moeite van het overdenken waard is.


Ton van Schaik recenseerde een week geleden Bodars pasverschenen bundel Nochtans zal ik juichen, een selectie van columns uit het Katholiek Nieuwsblad. Hier werd Christus ten tweeden male gekruisigd, dit keer in de kolommen van het weekblad Hervormd Nederland. De criticus spreekt over een «publiciteitsbeluste sierpriester», «een onverbiddelijke roomse snob», verantwoordelijk voor «een spoedcursus cultuurpessimisme voor katholieke zwakbegaafden». Van Schaik: «Het meest aanstootgevende en onzedelijke in dit boek is de minachting voor mensen die hij demonstreert met zijn pseudo-elitaire taaltje, en de hoge pet die hij kennelijk van zichzelf op heeft.»
Het is voor een deel oud zeer. Van Schaik is de man die vorig jaar de Eyk-files publiceerde, de collegedictaten van de beoogde bisschop van Groningen, waarin zo tegen de homoseksuelen tekeer werd gegaan dat zelfs O.L. Heer verbleekte. Bodar antwoordde enigszins hooghartig dat het in Nederland blijkbaar komkommertijd was en Rome wel andere, belangrijkere dingen aan het hoofd had. Zie je wel, zij zijn werkelijk niet goed bij hun hoofd, die homo-katholieken. Zij schuilen onder de rokken van de Paus van Rome, in afwachting van het moment dat zij worden uitgenodigd hun eigen brandstapel te bouwen.


Dat boekje heb ik dus onmiddellijk aangeschaft. Over zijn wijze van rooms-katholiek modderworstelen mogen anderen oordelen. Ik werd vooral getroffen door het feit dat er in dat hele boek geen normale zin te vinden is. Het gaat ongeveer zo: «Ik toog naar de Veluwe, meegenomen in de automobiel van een van de naasten. Ik begroette de moeder van de bruid, die reeds weduwe is. ‘U bent een monnik van de wereld’, kijkt zij me aan. Nee, zoals een man geen kind kan krijgen, zo kan een vrouw geen priester zijn. De man staat voor handelen, de vrouw voor leven en aarde. Wij maaltijden en ik luister en probeer in mij op te nemen. Werk niet voor het vergankelijke voedsel, maar voor de Eeuwige (Joh. 6:27) . Nadien brak mijn ijs van gereserveerdheid. Ook de bomen in het park hebben de tijd stilgezet. Daarna heb ik een automobiel geleend en ben naar de Elzas getuft. Christus factus est pro nobis obiediens usque ad mortem, mortem autem crucem!»
Het is natuurlijk een parafrase van Bodars met geparfumeerd wijwater aangelengde kunstproza, een parafrase die niettemin woord-voor-woord authentiek is.

Hij is de ten overstaan van de spiegel verwekte bastaard van Narcissus en Dorian Gray. Allemaal aanstellerij, ijdelheid en effectbejag.