Een randfiguur een biografie waardig

Tema con variazioni

Ik heb een zwak voor maatschappelijke dwarsliggers. Maar het gedrag van Max de Jong (1917-1951) ging zelfs mij te ver.

De neerlandicus Nico Keuning heeft een biografie over hem geschreven die van een zekere sympathie getuigt. Zelfs hij heeft niet kunnen voorkomen dat het beeld wordt getekend van een ongevaarlijke gek, een egomaan en een monomaan, een querulant en een gefrustreerde droogneuker, een uitvreter en een roddelaar, voor wie de vrouwen kokhalzend terugdeinsden omdat hij principieel weigerde zich de hals te wassen, een vorm van lichamelijke verwaarlozing waaraan hij dan ook voortijdig is overleden.

De Jong, dichter en essayist, hield een dagboek bij. Dat ging uitsluitend over zichzelf. Hij was ziekelijk jaloers op alles en iedereen. Toen Fokke Sierksma de essayprijs van de gemeente Amsterdam kreeg, ontwikkelde hij een levenslange haat tegen de Friezen. Emiel van Moerkerken was een van de velen bij wie Max de Jong, zonder enige hoop op terugbetaling, in het krijt stond. Hij schreef hem op 1 januari 1950 een briefje: ‘Ik doe je een gunstig aanbod, nl.: je hoeft me de ƒ10,- niet terug te betalen, onder de voorwaarde dat je me tot en met 15 juni 1951 niet meer komt opzoeken. Je ziet dus dat ik er ƒ10,- voor over heb om een half jaar verschoond te blijven van je kwaadaardige, insinuerende, verdachtmakende en achterdochtige oude-jongejuffrouwengeroddel en -gezeur.’


In de meeste van De Jongs gedichten rijmde ‘toe’ op ‘koe’ en ‘tent’ op ‘firmament’. Zijn vers over Ed. du Perron is een nadrukkelijke uitzondering: ‘du Perron du Perron du Perron du Perron du Perron du Perron god zij met ons met ons god zij met ons god zij met Perron du Perron du Perron du du Per Per ron ron…’ — en zo gaat het nog een klein kwartiertje door. Hij was een randfiguur in het naoorlogse Amsterdam, verteerd door het onverdraaglijke feit dat W.F. Hermans (De tranen der acacia’s) en Gerard van het Reve (De avonden) wél succes hadden en hij niet, zowel in de literatuur als bij de meisjes. Willem Frederik had zijn Emmy, Gerard had zijn Hanny, terwijl Max niet meer dan een ‘levenslang, polygaam verliefdheidscomplex’ koesterde voor de vier zusjes Constance, Henriëtte, Neel en Lien Wibaut. Neel Wibaut was in zijn ogen ‘de mooiste vrouw met wie ik nooit naar bed ben geweest’. Zij vertrok met man en kind naar Canada, waarna de troosteloze Max de Jong in één nacht zijn 91 kwatrijnen omvattende gedicht Heet van de naald bij elkaar dichtte. ‘Heb ik nu een idée fixe/ ben ik bevangen door een waan ofwel/ een paranoia/ ach nee toch zeker/ zij was werkelijk uniek/ dat kan toch ook/ mathematisch gedacht/ moet één de beste zijn/ ik heb het hopeloos verknoeid/ en het had niet gehoefd/ ik had het anders horen aan te pakken/ en had haar kunnen krijgen.’

Het vers heeft bij de kenners en liefhebbers een zekere cultstatus gekregen, gestimuleerd door zijn (overigens steeds meer uitdunnende) vriendenkring, veelal collega-kunstenaars die ondanks alles tóch medelijden hadden met de jongeman die rillend in zijn vrijwel onverwarmde huurkamer naar affectie zat te hunkeren, zuchtend onder zowel het gemis van een unsterbliche Geliebte als de aanwezigheid van een tirannieke hospita.


Vervolgens concentreerde Max de Jong zich op Constance Wibaut, een beeldend kunstenares die even onbereikbaar was als haar zuster. Dan geschiedt in de beschrijving van Nico Keuning het wonder. De Jong slaagt erin contact met Constance op te nemen. De biograaf reconstrueert de ontmoeting via een aantal notities. De Jong vertelde haar ‘van alles en ongedifferentieerd’. Is zij bereid zijn kinderverhaal Pieternel te illustreren? Ja, zij belooft althans de kaft te tekenen. De dichter maakt voor haar enige ondersteunende aantekeningen: ‘Wat volgt is de inzet van het verhaal. Met een zaag kun je, behalve erop musiceren, ook zagen, dat levert in elk geval een pointe waar de compositie op scharnieren kan.’ Het is objectief gezien eigenlijk pure wartaal. Maar wat hindert het! Eindelijk hebben zij elkaar gevonden, artistiek vereend in de schaduw van zijn muziekstandaard. Dus alle objectieve voorwaarden voor een aanstaande romance waren voorhanden.


Constance Wibaut is thans, meer dan een halve eeuw later, een gereputeerde beeldhouwster met een messcherp geheugen. Hoe komt de biograaf bij die onzin, vraagt zij zich af. ‘Ik ben nooit op de kamer van Max de Jong geweest, ik heb nooit brieven of briefkaarten van hem ontvangen, noch heb ik ooit beloofd illustraties voor hem te maken, sterker nog, ik heb hem al van mijn leven—- nooit! — van aangezicht tot aangezicht gezien. Ik zou werkelijk niet weten hoe die man eruit zag.’

Het is een typisch voorbeeld van een waarheid die onmogelijk in het midden kán liggen.

Dus Nico Keuning gebeld. Hij lijkt wat verlegen onder de veronderstelling dat hij zich heeft vergist. En twijfelt. Max de Jong kan toch niet die ontmoeting met Constance Wibaut hebben verzonnen? De notities over het gesprek beslaan nota bene twintig vel!

‘Maar hij zat in die tijd onmiskenbaar in een van zijn manische periodes’, zegt Keuning. ‘Het kan dus een idée fixe zijn geweest. Hoewel… Twintig vel aantekeningen… Die er tamelijk realistisch uitzien… Niettemin, het moet achteraf gezien niet worden uitgesloten dat het inderdaad een van zijn waanideeën is geweest.’

Constance Wibaut gebeld. ‘Waanideeën? Dat zal dan wel de verklaring zijn’, zegt zij. ‘In elk geval had die meneer het geval beter bij mij kunnen verifiëren. Dan had ik hem meteen kunnen vertellen dat ik in die tijd nooit op bushaltes stond, zoals hij beweert. Er waren in die jaren nauwelijks bussen in Amsterdam. Ik deed alles met de fiets.’


Andermans leven is nooit voor honderd procent waarheidsgetrouw te reconstrueren, hoe betrouwbaar je bronnen ook ogen. Voor de rest is Nico Keunings Altijd het tinnef om je heen een goed en interessant boek, dat ons leert dat ook een randfiguur annex ‘minor poet’ een biografie waard kan zijn, hoe monomaan en mesjogge hij (of zij) bij leven en welzijn ook is geweest.