Het gezelligste concentratiekamp ter wereld

Tema con variazioni


Ooit, twintig jaar geleden, schreef ik een boekje van minimale omvang (zeventig pagina’s) met de titel De ongelofelijke geschiedenis van het krijgsgevangenenkamp Prins Bernhard. Ik heb het Bernhard nog eens op zijn verjaardag gegeven, ook al wist ik best dat de oude baas niet zozeer een lezer is als wel een kruiswoordpuzzelaar. Het boekje behelst een ongetwijfeld marginaal, maar niettemin dierbaar curiosum uit oorlogstijd: een proeve van plattelandsguerrilla uit 1944, aangepast aan het gematigde Hollandse klimaat en uitgevoerd met de bravoure van een jongensboek.


Het ging over een handvol katholieke knapen van 22 tot 24 jaar uit Twente. Zij zaten in hun maag met zo’n dertig Duitsers, Oostenrijkers en Italianen. Deels waren het deserteurs, deels waren het typen die om veiligheidsredenen van de weg waren geplukt. De gevangenen werden ondergebracht in een lokale boerderij, in afwachting van het einde van de oorlog. Het was, zo men wil, een concentratiekamp, met strikte toepassing van het Verdrag van Genève, zoals dat op 27 juni 1929 was vastgelegd. De kampcommandant had een exemplaar geleend van een militaire relatie, een oud-officier te Arnhem. Op grond hiervan werd besloten de krijgsgevangenen met optimale correctheid te behandelen, een correctheid die Nederland tot eer en Duitsland, Oostenrijk en Italië tot voorbeeld zou strekken.


Dus werden de arrestanten op voorbeeldige wijze verzorgd, gevoed en gewassen. De boeren onder hen liepen zingend achter de ploegschaar, de minder agrarisch georiënteerden weerden zich in de keuken, hakten hout, verzorgden de bloemen en kweekten tabak voor de eigenhandig gedraaide en eigenmondig, door bewakers en bewaakten, broederlijk opgerookte stinksigaren.


Alles mocht. Alles kon. Er werd kameraadschappelijk over de problemen gepraat. De Italianen zongen ’s avonds een aria uit La Traviata. De Oostenrijkers kregen de handen op elkaar met Die Fledermaus. Diegenen die heimwee hadden, werden door de kampcommandant op gepaste wijze getroost. Alles mocht, behalve ontsnappen. Daarop stond helaas de doodstraf. ’s Morgens ging het rood-wit-blauw in top, waarbij de aanwezigen, allochtoon of autochtoon, ons nationale volkslied zongen, zij het op fluistertoon opdat de bezetter niet zou worden gealarmeerd. ’s Avonds luisterde men verplicht naar Radio Oranje, waarbij de teksten woord voor woord werden vertaald door een Rijksduitser uit Hengelo. Daarna werd er gemeenschappelijk gepraat, gekaart en gemensergerjeniet, terwijl de geestelijk verzorger ondertussen, door de gitaar begeleid, zijn eigenhandig geschreven liedjes ten gehore bracht:



‘Onderduiken is het parool.


Onderduiken is eten boerenkool.


Wij wachten op vrede en rust.


De vrijheid brengt weer lust.’



Het project werd gefinancierd via een overval op het gemeentehuis van het nabijgelegen Raalte, op een moment dat zich daar een grote voorraad geld en voedselbonnen bevond. Braaf staken de ambtenaren, die grotendeels op de hoogte waren, hun handen in de lucht. De eerste bankrover kocht van de buit een zondagsmissaal. De ander schafte zich de traktatenbundel Bidden in Christus’ Kerk aan. De rest ging naar het krijgsgevangenenkamp Prins Bernhard. Een van de overvallers, niet helemaal vertrouwd met het wapenmateriaal, gaf zichzelf per ongeluk een buikschot en werd illegaal in Zwolle geopereerd, waarna hij van de dokter bij wijze van souvenir een stukje geamputeerde darm kreeg dat hij jarenlang als boekenlegger bij de voornoemde traktatenbundel Bidden in Christus’ Kerk gebruikte.


En ’s avonds stemde de geestelijk verzorger andermaal, dankbaar voor de goede afloop, zijn gitaar:



‘Al slaan ze me pimpelpaars en blauw,


ik blijf Nederland trouw,


óók in tijd van rouw.’



‘Ja’, sprak de man later, ‘eigenlijk was het wel een gezellig concentratiekamp.’



Het kamp was, hoe het ook zij, ‘uniek in Nederland’. Dacht hij. Dacht ik. Wij hadden het allebei mis.


Er heeft in 1944, blijkt uit de serie Maaslandse monografieën, nog een vergelijkbaar krijgsgevangenenkamp bestaan, in dit geval op een boerderij nabij het Limburgse Helden. Ook hier betrof het deels oorlogsvermoeide gevangenen, deels Duitsers die met de kracht der wapenen waren gearresteerd. Het verschil was dat zij onderaards verbleven, waar géén piepers werden gejast, laat staan huishoudpoëzie ten gehore werd gebracht, zodat de sfeer in Limburg heel wat grimmiger was dan die in Twente.


Er was sprake van een vuurgevecht waarbij ten minste drie Duitsers om het leven kwamen. Twee van de gevangenen bleken spionnen te zijn, die speciaal waren opgeleid om de betreffende boerderij te infiltreren. Zij werden, midden in het bos, geëxecuteerd. Spoedberaad volgde. Eigenlijk moesten ook alle anderen, om veiligheidsredenen…


Eén der stafleden van het kamp aarzelde. Je kunt toch geen tweede leven ingaan, redeneerde hij, in de wetenschap enige tientallen weerloze mensen te hebben vernietigd. ‘En eindelijk, na uren en urenlang praten, heeft men dat daar dus met heel veel pijn en met heel veel moeite ingezien.’


Er volgde een periode van pure doodsnood, totdat twee weken later de Engelsen onder kanongeknetter Limburg binnentrokken.


Het was op 19 november 1944, bij het krieken van de dag, dat een groepje stomverbaasde bevrijders er getuige van was hoe een KP’er midden in de bossen een luik optilde, waarna één voor één 23 krijgsgevangenen naar boven kropen, de handen ten hemel geheven.



De eerste exemplaren van De ongelofelijke geschiedenis van het krijgsgevangenenkamp Prins Bernhard werden uitgereikt op 4 mei 1979, tijdens een etentje in het Rijnhotel te Arnhem. De aanzittenden waren de assistent-kampcommandant, de beheerder van het wapen- en munitiedepot, de geestelijk verzorger, de uitgever en de auteur. Gewillig lieten de oorlogshelden, oud en grijs geworden, zich fotograferen op de herentoiletten. De traditionele twee minuten stilte waren in die tijd al behoorlijk in ongerede geraakt. Niet in het Rijnhotel te Arnhem. Twee minuten voor acht verhief iedereen zich van zijn zetel. Klokslag acht klonk het Wilhelmus, bewogen ten gehore gebracht door de


barpianist.