Kaal zijn of niet kaal zijn, dat is de kwestie

Tema con variazioni


‘Van Gobbel. Het wachten is op Van Gobbel’, zei de verslaggever die de wedstrijd Feyenoord-Lazio Roma becommentarieerde. ‘Van Gastel. Van Gobbel. Het wordt een ingooi voor Van Gobbel. Van Gobbel moet wat goedmaken. Van Gastel. Van Gobbel. Applausje voor Van Gobbel. Van Gobbel. Die kan wel tegen een stootje.’


Ulrich van Gobbel heeft inderdaad de reputatie het strafschopgebied met tanden en klauwen schoon te houden. Koste wat het kost, desnoods ten koste van zijn eer en goede naam. Hij werd de dag voor de wedstrijd door het dagblad Trouw omschreven als een man met spieren van staaldraad en een betonnen borstkas, een bottenkraker met een keihard imago. Ten onrechte, zo meldt men ons van evangelische zijde. ‘Als het angstaanjagend aura genegeerd is, het ijs gebroken is, dan zit daar een alleraardigste voetballer.’ Hij is niet alleen aardig, hij is bovendien bescheiden en beleefd. ‘Ulrich van Gobbel blijkt menselijk. De verdediger van Feyenoord blijkt te kunnen praten, te kunnen lachen. En hij kent de vooroordelen. “Van mijn vriendin mag ik me niet kaalscheren, want dan zie ik er nog agressiever uit.” ’



Dezelfde week stierf de Britse acteur Charles Gray. Hij was gespecialiseerd in slechteriken. Zijn favoriete rol was die van Ernst Stavro Blofield, de bad guy in een aantal James Bond-films. Met fluwelen stem, altijd de kat op schoot, terroriseerde hij de wereld. Geen groot acteur. Maar hij was kaal, wat een schurkenrol blijkbaar een zekere meerwaarde geeft. Is het niet vreemd? Waarom zou een kaalkop een slechter karakter hebben dan iemand die zich met een Medusahoofd langs ’s Heeren wegen begeeft? Vrouwen worden, zoals wij weten, zelden kaal. De implicatie is dat vrouwen betere mensen dan mannen zijn, een veronderstelling die vooralsnog niet door de feiten wordt bevestigd.


Kaal zijn of niet kaal zijn, dat is de kwestie. Het is duidelijk dat wij hier een probleem van filosofisch, maatschappelijk, artistiek én moreel belang hebben aangesneden.



De discussie is vlak na de oorlog gestart door Frits van Egters, de hoofdfiguur uit Simon van het Reves debuutroman De avonden. Hij kijkt ’s ochtends in de spiegel en verzucht: ‘Moge ik behouden blijven voor kaalhoofdigheid. Het is een gruwelijke straf. Het hoofd ziet er dan oud, glimmend en onsmakelijk uit. Dat is de waarheid. Maar het ergste is wel als de ontblote huid gesprongen is of met knobbeltjes bedekt.’ Zijn broer Joop is niet meer de gezellige krullenbol van vroeger, hetgeen hem door Frits duidelijk te verstaan wordt gegeven. ‘Je begint flink kaal te worden. Tel je de haren in je kam wel elke morgen? Dan zal je zien dat het er elke dag meer zijn. Langzaam maar zeker. Ik zou het verschrikkelijk vinden als ik wist, dat ik kaal moest worden. Ik zou niet langer willen leven.’



Het boek werd in maart 1948 besproken onder de titel ‘Haal een tang voor Narcissus’. De recensent was W.H. Nagel, zelf schrijvend onder het pseudoniem J.B. Charles. Hij sprak over ‘een uitstekend rotboek’ respectievelijk ‘een tot op zekere hoogte bijzonder vervelend boek met uitnemende kwaliteiten’. In de recensie werd veel aandacht besteed aan het, door Van het Reve beschreven, kaalwordingsproces, dat hij als een metafoor beschouwde voor het ziek worden, verrotten en sterven, ‘een Mene Tekel van het vergaan’.



Nagel, zelf kaal als een biljartbal, was expert bij uitstek op het terrein van de kaalkopkunde. Zelf had hij het boek Volg het spoor terug geschreven, dat de gramschap wekte van zijn vroegere vriend W.F. Hermans. Die vond dit boek niet zo goed, sterker, hij vond het boek tamelijk slecht, een gebrek aan kwaliteit die zijns inziens grotendeels aan Nagels gladschedeligheid te wijten was. ‘Kaalhoofdigen vormen, evenals stotteraars en roodharigen, een psychologische categorie apart’, constateerde Hermans op de apodictische toon van een man van de wetenschap. ‘Felon, Burglar en Crook (Med. Proc. vol. XXXXVI, p. 391) wijten de kaalhoofdigheid aan een overmatige opzwelling van de schedel: de hoofdhuid wordt steeds strakker gespannen onder aandrang van winderige ideeën, de bloedsomloop neemt af, de haarwortels ontvangen geen groeisappen meer.’



Helaas daalde hierna het niveau van de discussie. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een bijdrage van de columnist Guus Luijters, die zich had geërgerd aan het feit dat de criticus Tom van Deel zich in negatieve zin had uitgelaten over het nieuwe boek van Heere Heeresma. In zijn contrakritiek schreef Luijters: ‘Laat Tom van Deel maar huilen, die weet van niets en bovendien is hij kaal.’ Het was slechts een stormpje in een glaasje water, dat echter verregaande gevolgen zou hebben. Want het inspireerde de schrijver Jeroen Brouwers tot een der roemruchtste polemieken uit de naoorlogse literatuur, het pamflet De Nieuwe Revisor (1979), waarin de ‘tendentieuze, jaloerse, wraakgierige octopus’ Luijters een centrale rol speelde, als het zinnebeeld van de ‘verkakelijking en de verkokkelijking’ benevens ‘het oceaangelijke geouwehoer’ in en rond de contemporaine vaderlandse letteren.



Zo woedde de veenbrand tussen kaalhoofdigen en langharigen voort, een botsing van sentimenten waarin de kaalhoofdigen ideologisch gezien het gelijk aan hun zijde hebben. Een uiterlijk defect is nu eenmaal geen intellectueel argument. Tom van Deel gezien op het Boekenbal? Hij werd door iedereen gemeden, behalve door de schrijvers die hij morgen zal bespreken. Wat zouden wij de kaalhoofdige medemens graag dat extra plukje haar gunnen, dat hem zou vrijwaren van hoon en spot! Effectieve haargroeimiddelen bestaan echter niet. Het is ten minste tweeduizend jaar oude sprookjesvertellerij, zoals blijkt uit de raad van de Egyptische koningin Cleopatra aan het adres van de kaalkoppige politicus/krijgsman Julius Caesar: ‘Je moet je hoofd met brandewijn insmeren, Caesar, dan gaat je haar weer groeien.’ Maar wat Caesar ook ondernam, inwendig of uitwendig, toen hij stierf onder het arglistig staal van de moorddadige krullenbol Brutus was hij nog even kaal als bij leven en welzijn.



Er is maar één middel tegen kaalhoofdigheid. Dat is het dragen van een pruik, een hulpstuk dat altijd belachelijk oogt. Er is maar één methode om verdere haaruitval tegen te gaan. Dat is castratie, bij voorkeur uit te voeren door een bevoegd geneesheer. Kaal is kaal, van de adolescentie tot aan het graf, een bittere waarheid waarmee onze kaalhoofdige medemens zal moeten leven.