Een flintertje persgeschiedenis, een saaie scriptie waard

Tema con variazioni

Ik was nog net op tijd voor de slotwoorden van de schrijver wiens nieuwste boek die avond in een café te Zwolle, zijn woon- en geboorteplaats, werd gepresenteerd. ‘Ik dank u allen zeer voor uw komst’, sprak Igor Cornelissen, ‘en ik dring erop aan (in de woorden van mijn betreurde oom Jopie, althans, wanneer de rekening niet naar hem ging): neem behalve de lamsgehaktballen ook de duurste wijn.’


Onmiddellijk voegden wij de daad bij het woord.


Ondertussen signeerde de auteur deel drie van zijn memoires, Terug naar Zwolle: Dwarsliggers en ander volk.


Cornelissen was, net als ik, een kwart mensenleven lang een der stafredacteuren van Vrij Nederland, het weekblad dat in de eerste helft van de jaren tachtig bijna aan de meest infernale ruzies ten onder is gegaan. Die bonjes zijn in de memoires van Cornelissen uitgebreid gedocumenteerd, in de pijnlijkste pagina’s uit de contemporaine persgeschiedenis, die ik niettemin met een zekere onbewogenheid heb gelezen, wat erop duidt dat ik eindelijk de frustraties uit het verleden heb uitgezweet.


Dames en heren collega’s, kom werken bij het weekblad De Groene Amsterdammer. Rijk word je er niet van, wel gelukkig. Want het is een gezelschap van nette mensen die hun meningsverschillen op een verstandige manier met elkaar uitpraten — en de enige lijken die de kast uittuimelen zijn die van de redacteuren uit de jaren vijftig en zestig, die Stalin en Mao meer krediet hebben gegeven dan zij redelijkerwijze verdienden.



Er was onder de aanwezigen een handjevol oud-strijders uit de jaren dat Rinus Ferdinandusse nog de declaraties tekende. Je kon in die jaren zes keer businessklas retour naar Reykjavik declareren zonder dat er een haan naar kraaide, waardoor iedereen voor altijd en eeuwig op zijn stoel zat te vervetten. Behalve ik. En behalve Lisette Lewin. ‘In de delen een en twee was ik niet meer dan een voetnoot’, sprak zij. ‘Nu heb ik eindelijk een eigen alinea gekregen.’ In werkelijkheid komt zij in deel drie uitgebreid aan de orde. Zij was lastig en onbeleefd en onbeschoft en onafhankelijk, zodat zij door ‘het collectief’ zonder genade werd weggedemocratiseerd. Igor en ik, die hecht met haar bevriend waren, waren net niet invloedrijk genoeg om haar tegen de volkswoede te beschermen. ‘De herinnering bezorgt me nog vaak grauwe momenten’, schrijft Cornelissen.



Ik geloof niet zo erg in Nederlandse journalistenmemoires. Nederlandse journalisten weerspiegelen het lot van een kleine natie met weinig wezenlijk drama. Het werk dat wij, verslagkloppers, verrichten is ongetwijfeld van belang, maar in het licht van de geschiedenis zijn wij stofrestjes die door de Melkweg dartelen. Friso Endt speelde zijn rolletje in de Greet Hoffmans-affaire. Jacques Gans stichtte in Londen het Comité tegen het Neofascisme. W.L. Brugsma adviseerde Michael Gorbatsjov hoe hij het meest effectief het sovjetimperium kon liquideren. Ikzelf heb in deze aflevering van De Groene Amsterdammer de kabouterprimeur dat Beatrix zich binnenkort in het ‘Zweedse model’ moet schikken. Zo hadden de memoires van Igor Cornelissen wat mij betreft best 350 in plaats van achttienhonderd pagina’s mogen omvatten. Gezegd moet worden dat deel drie naar mijn mening verreweg de beste bladzijden van zijn gedenkschriften bevat. Nee, het betreft (andermaal) niet de bloedbaden op Raamgracht 4, het hoofdkwartier van het voormalige verzetsblad; het betreft de miniportretjes van al die figuren ter min-of-meer linkerzijde, waarvan Cornelissen veel verstand heeft, van Jaap (‘de vader van’) Meijer tot Groene-redacteur C.J. Kelk, die de redactielokalen van zijn krant placht te betreden met de woorden: ‘Minzaam zwaaiend naar alle zijden betreedt de prins het bordeel.’


Voor deze vorm van vermaak moet men tegenwoordig een deur (Princess Men’s Club, Westeinde 18) verder zijn.



Met instemming lees ik de bladzijden over Jaap le Poole, de man die ogenschijnlijk niet meer dan een bijrol in de Nederlandse samenleving heeft gespeeld. Niet in de optiek van Igor Cornelissen. Le Poole was in zijn leven drie keer in gewetensnood geweest en heeft alle drie keren de juiste weg bewandeld. Hij had in de oorlog als een der weinige ambtenaren geweigerd de ariërverklaring te tekenen. In 1948 was hij uit de Partij van de Arbeid getreden vanwege het sociaal-democratisch aandeel in de koloniale oorlog tegen het vrijgevochten Indonesië. Daarnaast bekommerde hij zich om het lot van de Vier van Breda, de Duitse oorlogsmisdadigers wier doodvonnissen in levenslang waren omgezet. ‘Moest levenslang ook levenslang zijn? Voor Le Poole was het onverdraaglijk dat het beginsel van de humane strafrechtpleging moest wijken voor emoties en, zoals hij het zag, politieke belangen. Wraak mocht nooit voor straf in de plaats komen. De vier hadden na twintig jaar vrijgelaten moeten worden.’ Zij waren de personificatie van het kwaad van een natie die zich tijdens de bezetting slap en afzijdig had gedragen. Het was zo’n morele kwestie waarin je 49% voor en 51% tegen kon zijn — of andersom. Ook de PSP-parlementariër Andrée van Es worstelde met haar geweten. Cornelissen: ‘Zij sprak in de Kamer fris en eerlijk over haar dilemma. Ik pakte de telefoon, belde het gebouw van de Tweede Kamer en werd met haar doorverbonden.’ De volgende dag stemde zij vóór vrijlating, dankzij de argumentatieve steun van Igor Cornelissen en diens bezonnen vriend Jaap le Poole.



Dit zijn voor mij de autobiografische feiten waaraan memoires als deze hun waarde ontlenen. Daaraan hecht ik meer belang dan aan de vaak even treffende als genadeloze observaties betreffende Cornelissens (en mijn) ex-VN-collega’s. Mijn hemel, het is allemaal twintig jaar geleden en over tien jaar zijn wij allemaal dood. Wat kan het mij uiteindelijk schelen of het Rinus Ferdinandusse of diens vleugeladjudant Joop van Tijn is geweest die toentertijd die beruchte Anonieme Brieven heeft verstuurd? Het is voltooid verleden tijd, het is een flintertje persgeschiedenis waar vast nog wel eens een saaie scriptie over zal worden geschreven. Bij leven en welzijn, meldt de auteur, volgt op deel drie nog een deel vier, ‘De laatste jaren’ geheten. Andermaal, het is veel, tamelijk veel. Winston S. Churchills memoires, de dernier cri van een man die óók nogal wat heeft meegemaakt, omvatten het drievoudige en hij heeft er uiteindelijk de Nobelprijs voor de literatuur voor gekregen.