Ruziënde crisismanagers

Tema con variazioni

Het feit dat Winston Churchill en Charles de Gaulle elkaar niet konden luchten of zien en zich wederzijds als ‘fascist’ verketterden was overal voorpaginanieuws, behalve in Engeland en Frankrijk, naties die tot op de dag van vandaag zorgvuldig hun francofobie respectievelijk anglofobie conserveren.


In Parijs loopt op het ogenblik zelfs een toneelstuk (l’Homme qui a dit non), waarin de veten tussen de beide mannen breed worden uitgemeten. Marc Chavannes, de Parijse correspondent van NRC Handelsblad, heeft het gezien. Het is een en al gekift op het podium, tussen de politicus die even eerder tot Britse premier is benoemd en de generaal die naar Londen is uitgeweken, nadat zijn land door de nazi’s onder de voet is gelopen. De heldenrol wordt natuurlijk door de Fransman gespeeld, die Churchill voortdurend de les leest: over Engelands Afrika-politiek, over de Franse vloot en vooral over Frankrijks natuurlijke plaats in de wereld. Churchill grinnikt wat en grijpt berustend naar het vertrouwde glas.



Ook de Britse staatsman liet zich niet onbetuigd in het polemische discours, lees ik in John Chamley’s studie Churchill, the End of Glory (1993). ‘Look here!’ sprak hij tot zijn Franse bezoeker. ‘Ik ben de leider van een sterke, ongeslagen natie. Elke morgen als ik wakker word is mijn eerste gedachte wat ik voor president Roosevelt kan betekenen en mijn tweede gedachte hoe ik zo vruchtbaar mogelijk met maarschalk Stalin kan samenwerken. En wat is uw eerste gedachte bij het opstaan? Hoe kan ik het effectiefst de Britten en Amerikanen dwarszitten.’


Tijdens de lunch in huize Churchill ontstond er een meningsverschil tussen de vrouw des huizes en haar meest prominente gast.


En wéér ging het over de Franse vloot!


‘De Franse vloot heeft maar één ambitie’, zei De Gaulle. ‘En dat is de Engelse vloot de grond in te boren.’


Clementine Churchill kon deze impertinentie niet op zich laten zitten. ‘You have no right to speak like that in my house’, zei zij snibbig — en zou ’s avonds, samen met haar echtgenoot, tot de conclusie komen dat de Fransman de Engelsen zo haatte dat het niet uitgesloten moest worden geacht dat hij straks mét de Duitsers ‘against us’ zou pacteren.



Bitter beklaagde Churchill zich over De Gaulles ‘antidemocratische tendensen’, een verwijt dat door zijn eigen staf met enige ironie werd aangehoord, een staf die op zijn beurt machteloos stond tegenover de ‘volledige dictatuur’ van een man wiens bestuurlijk overleg voornamelijk bestond uit ‘eindeloze eenmansmonologen’.


Wij zijn, gegeven Churchills verdiensten, geneigd het feit over het hoofd te zien dat hij in politiek opzicht niet zozeer in de conservatieve als wel in de reactionaire hoek moet worden geplaatst, de hoek waarin de democratie ter discussie werd gesteld, Mussolini werd geprezen en het ‘internationale jodendom’ een ‘sinistere confederatie’ werd genoemd, waarvoor de wereld op z’n hoede moest zijn. Vurig bestreed hij het ‘wilde apentheater’ waarin de jonge Sovjet-Unie door Lenin en Trotski was veranderd, ‘kledderige, smerige figuren’ die werden gekenmerkt door ‘zinloze fratsen’ en ‘uitheemse namen’.


Twintig jaar later richtte hij zich in vergelijkbare bewoordingen tot Adolf Hitler, ‘deze slechte mens, deze belichaming van de haat, dit broeinest van zielenkanker, dit uit nijd en schande voortgekomen stuk misgeboorte’.


Winston Churchill was van de ene dag op de andere het symbool geworden van vrijheid en democratie, tégen dictatuur en discriminatie.


‘Wie dat omstreeks 1920 zou hebben voorspeld’, constateert Sebastian Haffner (Churchill, 1967), ‘zou terecht zijn uitgelachen. Van de toenmalige Churchill kon men zich eerder voorstellen dat hij de grote, Europese leider van het Europese fascisme zou worden en het naar de bloedige overwinning zou voeren. Hij was voor die rol meer geschikt dan de afvallige socialist Mussolini en de plebejische snob Hitler.’



In werkelijkheid werd Churchill de bewonderde aanvoerder van de vrije wereld, zij aan zij met Josif Stalin die hem ‘Winston’ mocht noemen, een eer die Charles de Gaulle nooit is gegund. De vriendschap tussen de Brit en de Rus bekoelde na de oorlog al snel, mede omdat Churchill thans zijn geschut op de expansieve Sovjet-Unie richtte. De volgende oorlog, voorspelde hij, zou tegen Rusland worden gevoerd. ‘Dat zal een nog verschrikkelijkere oorlog worden dan deze. Maar ik zal er niet meer zijn. Ik zal slapen, miljoenen jaren zal ik slapen.’


Tóch nog negentig geworden!


Het is komisch om te zien hoe op hun beurt de communisten tegen hun voormalige bondgenoot tekeergingen. Nu was hij opeens een ‘cynische huichelaar’, ‘een oorlogsstoker van formaat’, gespecialiseerd in ‘het lasteren van de Sovjet-Unie en het aanpappen met fascisten’, een grote geschiedvervalser die de Spaanse uitgave van zijn memoires ‘de passages die de lichtgeraakte vriend Franco niet bekoren’ had geschrapt.


Tegenover de ‘ploertachtige’ en ‘gewetenloze’ oorlogshitser Churchill bevond zich gelukkig de wijze en bezonnen Stalin, die in de Pravda liet weten dat elke oppositie tegen de Sovjet-Unie en haar socialistische broederlanden tot mislukken was gedoemd.


‘Met rustige zekerheid kon Stalin zeggen’, commentarieerde De Waarheid, ‘dat tegenover het atoombommenmonopolie van Churchill en zijn vrienden andere, sterkere krachten stonden: de strijdkracht van het socialistische kamp en de vredeswil der miljoenen.’



Het waren natuurlijk allemaal antidemocraten, Stalin en Hitler, Churchill en De Gaulle. Het waren crisismanagers, hun triomfen vierend in een tijd die niet al te veel democratisch overleg verdroeg, als zij daar al in vredestijd toe bereid zouden zijn. ‘Churchill en De Gaulle waren gedoemd om ruzie met elkaar te krijgen’, schrijft Churchill-biograaf Charmeley, ‘omdat ze te veel op elkaar leken.’


Ja, dat zal wel, al die oorlogshelden lijken op elkaar.


Misschien lijkt Churchill uiteindelijk het meest op Franz Josef Strauss, even strijdbaar, onbeteugeld en antisocialistisch als zijn Britse collega. Oók zo’n crisismanager die meende dat de wereld moest worden gered, in dit geval van de gehate roden.


Spijtig voor Strauss wilde het maar geen oorlog worden, zodat hij zich tandenknarsend in de mores schikte van de parlementaire democratie.


Helaas, als er geen crisis is, bestaat er geen behoefte aan een crisismanager. Dus was zijn kandidatuur voor het Bondskanselierschap tot mislukken gedoemd en eindigde hij zijn politieke loopbaan als Bonner-filiaalchef in de vrijstaat Beieren.