Beter een halfjood…

Tema con variazioni

Amsterdam is een stad waar de eendjes democratisch in de grachten dobberen en de burgemeester door Jan en alleman wordt getutoyeerd.

Mijn eerste hoofdstedelijke burgemeester ken ik slechts uit overlevering. Hij heette Arnold d’Ailly en droeg een strikje, terwijl hij ondertussen was getrouwd met de dame die op de natste naam van Nederland kon bogen: Giselle Waterschoot-Van der Gracht.

Mijn tweede burgemeester was Gijsbert van Hall. Die opereerde op afstand, want hij was een regent. Dus moest hij weg, had het contesterend grauw besloten, waarbij ik dapper mijn partijtje meeblies. Niettemin weet ik zelfs bij benadering niet meer wat er met die man mis was, behalve dat hij (een socialist!) De Telegraaf heeft gefeliciteerd bij het binnenhalen van de 500.000ste abonnee. Dat vonden wij, grachtengordelrevolutionairen, een groot schandaal, in onze hoogmoed het feit negerend dat het in Nederland niet verboden is een krant te maken die tegen de socialisten is.

De burgemeesters die ik bij mijn volle verstand heb meegemaakt waren Wim Polak, Ed van Thijn en Ivo Samkalden, allervoortreffelijkste mannen zonder een spoor van bestuurlijke kapsones. Wim Polak heeft, net als ik, ooit bij Het Vrije Volk gewerkt. Ed van Thijn zit af en toe aan mijn redactietafel met het Auschwitz Comité te vergaderen. Ivo Samkalden belde je wel eens op zondagmorgen op (‘Met de burgemeester…’) om je uit te foeteren, wat ik als een hele eer beschouwde. Bovendien had hij als minister van Justitie de moed gehad het lot van de Drie van Breda ter discussie te stellen, de Duitse oorlogsmisdadigers die naar zijn mening lang genoeg hadden vastgezeten. Samkalden trotseerde daarmee manhaftig de communis opinio, die zich verbijsterd afvroeg waarom uitgerekend hij, als jood…

Het is geen toeval dat gedurende een periode van zo’n twintig jaar Amsterdam door joodse burgemeesters is bestuurd. De moord op de joden is altijd de open wonde van het naoorlogse Amsterdam geweest en het joodse leven in ’s lands hoofdstad is allang gereduceerd tot een broodje pekelvlees in de Scheldestraat.

Maar de burgemeester hoort een jood te zijn, luidt de ongeschreven wet. Luister naar de wijze woorden van Ischa Meijer, die tot mijn bittere spijt óók al dood is. 'Amsterdam is een gehavende stad’, zei hij me ooit, 'een stad waar een litteken doorheen loopt, een litteken als een metafoor voor het jodendom. Maar het is ondanks alles nog steeds een joodse stad, denk ik. Met zijn aardige, ongetwijfeld door schuldgevoel ingegeven, naoorlogse traditie om bij voorkeur een joodse burgemeester te benoemen. Samkalden, Wim Polak, Ed van Thijn. Nee hoor, dat klopt, haast alle naoorlogse Amsterdamse burgemeesters zijn joden geweest. Ook Van Hall. Die heeft zich buitengewoon goed in de oorlog gedragen, en was dus retrospectief gezien een jood. En nu Schelto Patijn… Erg jammer dat die traditie verbroken is. Een reuze aardige man, hoor, die Patijn, en voor een gojse burgemeester waanzinnig fatsoenlijk. Bovendien was hij al op Het Parool geabonneerd lang voordat er sprake van was dat hij burgemeester zou worden. Dus Schelto Patijn is eigenlijk ook een jood, laten we zeggen, een halfjood, dat lijkt me voorlopig mooi genoeg.’



Oude, chassidisch-Oost-Europese, joodse volkswijsheid: beter een halfjood dan een lege dop.



Ik deel Ischa’s gevoelens van sympathie, zonder te weten of die mannen eigenlijk goede burgemeesters waren, of zijn. Daar merk je als burger weinig van, zolang je niet het voorrecht is vergund tijdens het collegiaal overleg onder de vergadertafel te mogen zitten. Je merkt iets van halvegare voornemens om de haringkramen en bloemenstallen de wacht aan te zeggen omdat zij het zicht op deze of gene half ingestorte gevel zouden benemen. Je ziet de oogverblindende commerciële chaos op het Damrak.

Er is blijkbaar geen bestuurlijk antwoord op de verpopcornisering van de Kalverstraat en de Leidsestraat, ooit de meest begeerde locaties van het Monopoly-spel. Waarom staat er in die Leidsestraat niet op elke straathoek een agent met de opdracht elke illegale fietser neer te schieten? En mogen wij, voetgangers, misschien het trottoir terug, meneer de burgemeester? Al realiseer ik mij, als sociaalvoelend burger en als principiële belastingbetaler, dat het van het grootste maatschappelijk belang is dat de pizza’s op de voorgeschreven hittegraad worden afgeleverd. Mag ik trouwens even aandacht voor een persoonlijk feit? Ik wandel elke morgen via het Frederiksplein naar het Westeinde, waar redactie en administratie van De Groene Amsterdammer zijn gevestigd. Op de hoek staat het stoplicht dat de taak heeft ons, voetgangers, veilig over deze verkeersader te loodsen. Dit stoplicht heeft alle kleuren van de regenboog voorradig. Behalve groen, wat het gevolg heeft dat zich na zo’n kwartier wachten de oude vrouwtjes en moeders-met-kinderwagens radeloos in het voortrazende verkeer storten, hetgeen door hoogstpersoonlijk ingrijpen van Onze Lieve Heer nog steeds niet tot ongelukken heeft geleid. Maar let op mijn woorden: overmorgen is Hij even niet bij de les en worden de eerste lijken weggedragen, het mijne (voorbeeldfunctie!) in de eerste plaats.



In augustus 2001 gaat Schelto Patijn met pensioen. Het bovengenoemde probleem met het stoplicht op de hoek van het Frederiksplein en het Westeinde moet nog in zijn ambtsperiode op te lossen zijn, dunkt mij. Zijn opvolger wordt, als het aan de Amsterdamse vvd ligt, Job Cohen, de huidige staatssecretaris van Vreemdelingenzaken, een voorkeur die op een ruime raadsmeerderheid kan rekenen. Het is een goed idee, om redenen die ik inmiddels niet meer hoef toe te lichten. Het liefst zou ik trouwens zien dat Patijn nog een paar jaartjes bleef en Cohen een paar ambtstermijnen lang minister-president zou worden.