De vadermoord van Hans Gomperts

Tema con variazioni


H.A. Gomperts (1915-1998) was een nette man die met twee woorden sprak maar voor de rest niet veel in mijn leven heeft betekend. Hij oogde in woord en geschrift wat cerebraal, hetgeen mij er niet van heeft weerhouden álles, vrijwel alles van hem te lezen. Een van zijn eerste artikelen was het opstel ‘Menno ter Braak en Uzzeltje’, waarover de denker uit Eibergen zo verrukt was dat hij een ontmoeting voorstelde die in een zekere wederzijdse verlegenheid is verlopen. Jonge mannen waren het, die elkaar niettemin keurig vousvoyeerden. Ik noteer dit feit met een zekere vertedering. Je ziet het tafereel voor je: twee wereldvreemde eierhoofden, wonend in de literatuur, met een wederzijdse afkeer van de ‘krachtpatsers en spierproleten’ — ‘want de brute fysieke kracht verschijnt in de regel onder cultuurmensen zo stumperig geestelijk geïnfecteerd, zozeer als gelegenheidsoverwicht, dat men wel in een concentratiekamp moet zijn aangeland om haar meerderheid op de juiste waarde te schatten; en dan erkent men haar nog met een gevoel van verongelijkte gedupeerdheid, alsof Onze Lieve Heer eigenlijk voor onze speciale occasie het vuistrecht had moeten vervangen door bijvoorbeeld een scholastisch dispuut’. Het is een citaat uit Ter Braaks Politicus zonder partij (1934), een van de vlammendste passages uit het boek, die echter moeiteloos te vervangen is door honderd passages waar geen touw aan vast te knopen is.



‘Vorm en vent’, de ‘honnête homme’; het heeft allemaal zijn invloed gehad op mijn jong, ontvankelijk gemoed. Ondertussen durfde niemand de conclusie aan dat het in feite hermetisch kunstproza betrof, behalve Karel van het Reve die zich graag dommer voordeed dan hij was. Het is geen toeval dat hij in zijn Huizinga-lezing ‘het raadsel der onleesbaarheid’ aan de orde stelde. De onleesbaarheid van literatuurwetenschappers als Gomperts c.s., met als centrale these dat verhalen zichzelf vertellen, zonder dat zij in een wetenschappelijke verhandeling behoeven te worden geanalyseerd.


Simpelman speaking! Althans naar de mening van H.A. Gomperts, die in een geharnaste beschouwing zijn vakgenoten (enigszins, niet helemaal) in bescherming nam.


Verhalen die zichzelf vertellen, men zou denken: bij wijze van spreken, maar de illusie wordt toch ook hier en daar als iets letterlijks voorgesteld. Bijvoorbeeld in het boek van Käte Hamburger die de fiktionale oder mimetische Gattung onderscheidt van lyriek en ik-vertelling, die zij Wirklichkeitsaussage noemt, waarbij als beslissend structuurmoment van de fictieve wereld het verdwijnen van een werkelijke Ich-Origo, van een Aussagesubjekt wordt gesignaleerd. Ik besef dat het opvoeren van dit soort voorbeelden tegen de demagogie aanleunt, omdat je altijd het meest onleesbare citaat aller onleesbare citaten hanteert. Niettemin durf ik de stelling aan dat zelfs Gomperts’ bewonderde voorbeeld Ter Braak er geen woord van zou hebben begrepen.



Het probleem is, constateerde H.J.A. Hofland, niet zozeer Ter Braak als de terbrakianen. ‘Terbrakianen laten zich in hun geschriften herkennen zoals een kleptomaan opvalt door zijn uitpuilende zakken. Het enige wat de Ter Braak-sekte van hem heeft overgenomen, is een verzameling sleutelwoorden, en die is dan nog het object geworden van een soort volksetymologie. Het is een sekte van luie, incidentele pennenvoerders, die nooit zelf iets hebben geprobeerd, nooit iets op eigen gelegenheid hebben gewaagd en nooit iets hebben ontdekt. De traditie van Forum, of van Ter Braak en Du Perron, zou worden voortgezet. Maar wie nu zoekt naar de resultaten, vindt niets anders dan een kleine verzameling van min of meer slechte opstellen van vroeg oud geworden nijdassen.’


Forumvoorganger Ter Braak en zijn leerling Gomperts waren geen nietsnutten of nep-intellectuelen. De een was zelfs (in Het Vaderland) een interessant boekbespreker, die ik altijd raadpleeg als ik met types als Greshoff of Elsschot in de slag ga. De ander was (in Het Parool) een gerespecteerd toneelcriticus wiens beschouwingen zijn gebundeld, inclusief des schrijvers opmerkingen over de kleurrijke decors van Hep van Delft en de knappe vertaling van Seth Gaaikema. Het zijn kwalificaties zonder eeuwigheidswaarde, die van enige hoogmoed getuigen. Niettemin, als ik een artikel over Molière of Shaw in voorbereiding heb, kan ik het niet laten na te zien wat Gomperts op 22 mei 1965 respectievelijk 21 april 1966 over het betreffende toneelstuk heeft geschreven.



Maarten ’t Hart, die in Leiden nog college van Gomperts heeft gehad, beschrijft hem als een ‘hautaine hogepriester’ die door devote discipelen omringd van tijd tot tijd de collegezaal binnenschreed om daar, uit poetskatoen opgetrokken taal uit te slaan over de mentale injectie van de begripsgemeenschap. ‘Het leek net of elk woord dat hij zei ergens diep vanachter zijn keel moest komen en, onderweg naar de lippen, in een klein bedje van scharreldons werd gelegd.’ De jonge hoogleraar was al eerder door W.F. Hermans (‘In de toverpantoffels van Ter Braak maakte Kleine Muk Gomperts een bliksemsnelle carrière’) de maat genomen in een opstel waarin het slachtoffer een epigoon, een beprater, een feestredenaar, een voorwoordenaar, een nabauwer en een herkauwer werd genoemd. Gomperts, ook niet mis, noemde Hermans op zijn beurt een fascistische desperado, gespecialiseerd in ‘dezelfde smeerlapperij waarin een Julius Streicher het zo ver heeft gebracht’.


Tegengas was geboden. Dus begaf ik mij, een week voor Hermans’ vijftigste verjaardag, naar de woning van Karel van het Reve, geen vriend van Ter Braak en al helemaal niet van Hermans. ‘Er is niets in Hermans dat op enige sympathie voor het fascisme wijst’, sprak Van het Reve gedecideerd. ‘Goed, sommige mensen doen dingen die ook door fascisten worden gedaan. Zijn zij daardoor automatisch óók fascisten? Hitler hield Goethe voor een groot schrijver. Als ik Goethe eveneens een groot schrijver vind, ben ik dan een fascist? Dat is toch onzin?’



H.A. Gomperts trok zich op zijn oude dag in Frankrijk terug, ogenschijnlijk uitgeschreven. Maar niet heus. In zijn nalatenschap bevond zich een voor driekwart voltooid manuscript. Over Ter Braak, wie anders? Het is briljant doordacht, excellent geschreven en behelst een genadeloze afrekening met Ter Braaks netteherenantisemitisme, het vlekje op zijn blazoen dat tot voor kort door de Ter Braak-adepten zorgvuldig is weggepoetst. Ik lees en herlees dit boek (Een kern van waarheid) met stijgende bewondering en voorspel dat het een moderne klassieker gaat worden.