Oude soldaten sterven nooit

Tema con variazioni


Op de aankondiging van premier Wim Kok dat hij Indonesië zijn verontschuldiging zal aanbieden voor de politionele acties, waarmee het naoorlogse Nederland zijn gezag in de Archipel trachtte te herstellen, volgde de aankondiging van mevrouw H.T. Spoor-Dijkema, de weduwe van de verantwoordelijke legercommandant, dat zij door middel van een ‘brief op poten’ tegen dit voornemen ging protesteren.


‘Alsof die Indonesiërs zulke lieverdjes waren!’ sprak zij strijdvaardig (de Volkskrant, 2 maart 2000).


Ik las het met enige compassie. Zij was een jonge vrouw toen zij haar man, generaal G.H. Spoor, verloor; repatrieerde onder verre van gemakkelijke omstandigheden naar Nederland; de oud-strijders zijn haar natuurlijke achterban, en men kan moeilijk van haar verwachten dat zij thans, zovele jaren later, zal instemmen met het op internationale leest geschoeide koor van gejammer en spijtbetuigingen.


Integendeel, zij heeft op haar leeftijd (85) niets aan strijdbaarheid ingeboet. ‘Die politionele acties waren een zegen, daar was iedereen het toen over eens’, zei mevrouw Spoor. ‘Ik herinner mij nog goed dat mijn man op de ochtend waarop de operaties begonnen een Amerikaanse collega ontving. “What a lovely day to start a war”, zei hij ter


begroeting.’


O, what a lovely day! O, what a lovely war. De oorlog in de schijngestalte van een onbezorgde musical. Nederland is er nooit in geslaagd de natie van het besef te doordringen dat wij niet zozeer de pacificeerders als wel de bezetters van de jonge republiek Indonesia zijn geweest. Hoogmoedig werd door ons de Duitsers en de Japanners de les gelezen, terwijl Nederland zich ondertussen zonde in het ‘wij-niet-gevoel’, zoals Lolle Nauta het deze maand in De Gids typeert. Dit wij-niet-gevoel, zegt Nauta, is een onderdeel van de nationale identiteit geworden. ‘Het maakt het de overheid gemakkelijk het verleden in eigen regie te houden en de indruk te wekken dat er uiteindelijk in ons Indië niet echt ernstige dingen aan de hand kunnen zijn geweest, al hebben de politionele acties naast zesduizend Nederlanders ongeveer honderdduizend Indonesiërs het leven gekost.’


Honderdduizend Indonesiërs? Dat is toch niet te geloven? Behalve bij herlezing van het vraaggesprek dat op 14 augustus 1965 in Vrij Nederland werd gepubliceerd met de gewezen Knil-kapitein J.H.C. Ulrici. Het was een soort beginselverklaring après la lettre. ‘En als u mij vraagt of er toentertijd niet nodeloos veel slachtoffers zijn gevallen, kan ik u maar één ding antwoorden: dat valt best mee’, sprak Ulrici. De Nederlandse troepen hebben zich zijns inziens correct (‘vaak té correct’) gedragen. Zijn eigen optreden in Indonesië was hard, heel hard, gaf hij toe. ‘Ik zeg altijd maar: als je a zegt moet je ook b zeggen en als ze kapot moeten, moeten ze kapot.’ De burgerbevolking werd ondertussen zo veel mogelijk ontzien. ‘Maar het spreekt natuurlijk vanzelf dat we met onze militaire tegenstanders weinig consideratie hadden. Die werden door ons gekraakt. De eerste de beste die zijn kop van achter een boom vandaan stak, ging eraan. Dat was de enige manier om die lui te bevechten. Want een Aziaat — dat heb ik in de loop der jaren wel geleerd — heeft alleen maar respect voor kracht. Het is nét een biefstuk: hoe harder je erop slaat, hoe malser-ie wordt.’


Vraag de eerste de beste Nederlander wat de politionele acties aan Indonesische zijde aan mensenlevens hebben gekost, en hij schat het antwoord op tienduizend of twintigduizend. Het waren er dus in werkelijkheid honderdduizend, wat in de buurt komt van de totaalsom der door de Duitsers vermoorde joden. De joden waren burgers. De Indonesiërs waren burgers, militairen en guerrillero’s. Wat is het verschil? Onrecht is onrecht, de ene dode oogt niet minder dood dan de andere. Een ander verschil is dat over de joden uiteindelijk is gepraat, terwijl over de Indonesiërs grotendeels is gezwegen, beter gezegd: als iemand het waagde op te merken dat wij, Nederlanders, ons in het naoorlogse Indië tamelijk hebben misdragen, werd onmiddellijk het nationale taboe gemobiliseerd, gepersonifieerd in uitbundig gedecoreerde oud-strijders die elke keer weer de publieke opinie wisten te intimideren. Wijlen Herman Wigbold kon erover meepraten. Hij waagde het in 1969 een dissidente oud-strijder voor de Vara-camera over dit onderwerp te interviewen en kreeg vervolgens de gehele natie over zich heen, die niet wilde weten wat in redelijkheid onmogelijk te ontkennen viel.


Kort na Wigbolds poging Nederlands naoorlogse imperialisme aan de orde te stellen, hergroepeerden zich de tegenkrachten. Het waren de kloeke ex-militairen die zich met name rond het Veteranen Legioen Nederland hadden verenigd. Een hunner, een inwoner van het Friese Dantumadeel, had zijn boerderij Romsicht tot ‘Generaal Spoorhoeve’ herdoopt, waarbij een uitgebreide delegatie geestverwanten was uitgenodigd, met de weduwe Spoor als eregaste. Huiverend wachtten zij in de vette Friese klei op het moment dat mevrouw Spoor de plaquette zou onthullen, klappertandend zongen zij naar beste vermogen zowel het Friese als het vaderlandse volkslied.


Na afloop, in de feestzaal van het dorpscafé, was geen der 450 stoelen onbezet. Er werd sherry, jenever, bier, Berenburger en jus d’orange rondgebracht. En wéér werd er gezongen! Het is de plicht dat iedere jongen… Old soldiers never die… It’s a long way to Tipperary… Er werd gesproken: ‘Wij hebben vanmiddag een eerbetoon aan de nagedachtenis van generaal Spoor willen plegen… Er is nooit een grotere wissel op de toekomst getrokken, een wissel op zelfbeheersing, op moreel, op rechtvaardigheidsbesef… Wanneer er vandaag de dag mensen zijn die verwijtend en beschuldigend met de vinger wijzen naar die krijgsmacht, dan moet ik zeggen dat wij — oud-strijders — deze beschuldigingen vér van ons afwerpen…’


Wéér circuleerden de volgepakte dienbladen. En plotseling daverde een lied door het gebouw, geschraagd door 450 gesmeerde kelen, op de melodie van het klassieke ‘Singing hay, hay, jippy, singing hay’: ‘En wat doen we met die Wigbold als-ie komt? Ja, die slaan we op z’n donder als-ie komt! Die slaan we op z’n donder, ja, die slaan we op z’n donder, ja, die slaan we op z’n donder, als-ie komt!’


Daarmee was ‘de Indonesische kwestie’ voorlopig van de politieke agenda afgevoerd.