Ten geleide

Duizend jaar geleden, op 27 november 1095, riep paus Urbanus II tijdens het concilie van Clermont-Ferrand op tot de bevrijding van Jeruzalem uit de klauwen van de Turkse heidenen. Een lemming-achtige koorts maakte zich meester van versbekeerd christelijk Europa. Onder het slaken van de strijdkreet ‘Deus lo volt’ (‘God wil het’) spoedden hele volksmassa’s zich naar het oosten, een spoor van gebrandschatte joodse getto’s in het Rijnland en elders achterlatend, om in de regel te eindigen als koopwaar op de slavenmarkt van Algiers, van een rots gegooid te worden op de Balkan of gewoon gekeeld te worden door struikrovers bij aankomst in het Heilige Land.

Toen vier jaar na de oproep van Urbanus eindelijk de poorten van de Heilige Stad werden bereikt, vierden de kruisridders en hun voetvolk, de hersenen per zonnesteek al lang tot troebele soep gekookt, dat met de totale exterminatie van de lokale bevolking. Moslims, joden, Kopten, niemand bleef gespaard in de dolzinnige golf van geweld. Jeruzalem, de gootsteenput van de geschiedenis, baadde in het bloed, voor de zoveelste keer.
De totaal ontvolkte stad, waar in de toekomst alleen via huizenhoge subsidies bewoners voor konden worden aangetrokken, werd onder bestuur gesteld van een Bourgondische koning, Boudewijn van Boulogne, wiens opvolgers ongeveer honderd jaar de tijd kregen om te waken over het Heilige Graf. De Koerdische veldheer Saladin schopte hen er weer uit, maar Europa zou blijven dromen van een reconquista van het Heiligdom der Heiligdommen, de stad die na de apocalyps in transcendentale staat zal herrijzen.
Het titulaire koningschap van Jeruzalem wordt heden ten dage gedragen door Otto von Habsburg, CDU-vertegenwoordiger in het Europarlement. Diens koninkrijk is inmiddels uitgegroeid tot het hoofdtoneel van een strijd tussen twee broedervolken, beide ontsproten aan de zonen van Abraham. Joden en moslims twisten er op een piepklein stukje grond om het religieuze erfrecht. De joden beroepen zich op David, de patriarch die hier precies drieduizend jaar geleden de eerste tempel van de joden zou hebben geinstalleerd. De moslims vereren Jeruzalem al evenzeer: de profeet Mohammed ging in Jeruzalem op hemelvaart, en de stad herbergt een van de belangrijkste moskeeen ter wereld. Ook alle drama’s van de twintigste eeuw, van de val van het Osmaanse rijk tot de holocaust, zingen in Jeruzalem voor eeuwig rond, alsof al het leed van de geschiedenis hier is samengeklonterd in stof en steen. Logisch dat nergens op aarde zo massaal en hevig wordt gedroomd van het einde der tijden.
Waarom juist deze plek daarvoor is uitverkoren, weet eigenlijk niemand. Sommigen verklaren het aan de hand van geheimzinnige aardstralen die in het geding zouden zijn. In ieder geval is Jeruzalem nooit een stad geweest om luchthartig te betreden. ‘Jeruzalem is een gouden schaal, gevuld met schorpioenen’, waarschuwde de Arabische dichter Mohammed ibn Ahmed al-Muqaddassi al in de tiende eeuw. Sindsdien is het er niet op veranderd. De grote Israelische dichter Yehuda Amihai: 'De lucht boven Jeruzalem is doorweekt/ Met gebeden en dromen./ Gelijk de lucht boven industriegebieden/ Is het moeilijk haar in te ademen.’ Tandartsen uit New York veranderen in het aangezicht van de Klaagmuur in woestbebaarde ondergangsprofeten, orerend over het einde der tijden, wanneer om te beginnen op de Olijfberg de graven openbreken en alle skeletten, inclusief dat van Robert Maxwell en andere grootheden van deze aarde, zich samenvoegen voor het Laatste Oordeel. Talloze literaire grootheden, van Jacob Israel de Haan tot Arthur Koestler, hebben het wonderlijke mengsel van doodsdrift en extase dat de stad uit al haar porien ademt, getracht vast te leggen. Psychiaters congresseren over het zogeheten 'Jeruzalem-syndroom’, de instant-gekte die zich van duizenden volstrekt normale toeristen meester maakt zodra ze in het spoor van Jezus’ laatste gang de Via Dolorosa aflopen, langs de schreeuwende Palestijnse marktkoopmannen met plastic crucifixen en flesjes heilig water.
Maar in Jeruzalem valt eigenlijk geen grens te trekken tussen waanzin en reguliere godsdienstbeoefening. Alles aan de stad is bizar. Daarom is de stad voor een bepaald soort mensen toch een soort vrijplaats. Voor hen is de opperste melancholie die in elke steen lijkt ingebakken, een weldadige drug.
Eerder deze maand betreurde Jeruzalem zijn zoveelste dode. Dat treuren ging bijna geroutineerd, maar was toch oprecht. Het idee dat de dood van Yitzhak Rabin een noodzakelijk offer was om een stap dichter bij een minder door haat gekleurd leven te komen, zat er bij de aanwezigen diep in. Totdat het zo ver is, stort De Groene zich nog een keer in de vreemde extase die Jeruzalem heet. Net zoals de stad zelf is dit nummer in het teken van onheilspellende visioenen en goudgerande dromen komen te staan. Wel moge het u bekomen.