Ten geleide: ‘waarheen is god?’

Ooit hoorden ze bij elkaar, God en de wetenschap. De wetenschap stond in dienst van God en de kerk en was bedoeld om God te eren, om God groter te maken dan Hij al was, om te laten zien dat God in de schepping, in de schoonheid van de natuur, in de logica van de wetmatigheden duidelijk en dominant aanwezig was. Hij was het begin, Hij droeg het leven en Hij was het grote einddoel. De wetenschap mocht dat geloof onderbouwen en het nog duidelijker maken dan het al was. Wetenschappers deden hun werk ‘tot meerdere eer van God’. Kerk en wetenschap waren het hartelijk met elkaar eens en van spanning was geen sprake. Het leven was één, natuur en bovennatuur vielen samen en de redelijkheid van het geloof was bij wetenschappers in goede handen.

Er is onderweg iets misgegaan, om het mild uit te drukken. Nu zegt een wetenschapper dat de rede een zekerder weg tot God is dan de godsdienst zelf, en een Nederlandse Nobelprijswinnaar in de natuurkunde, ooit christelijk opgevoed, vindt dat wetenschappers die nog in God geloven schizofreen zijn. Want of je gelooft in God en dan kun je geen wetenschapper meer zijn, of je bent wetenschapper en dan mag je geen (religieus) gelovige meer zijn, want het geloof begint waar het denken ophoudt. En andersom. Op z'n best wordt God nog als een soort ‘gaatjesvuller’ gezien. Alles wat in vroeger tijden ons verstand te boven ging, werd aan God toegeschreven. Zijn terrein was groot, want ons begrijpen was nog zeer beperkt. Tegenwoordig kunnen we (bijna) alles begrijpen en verklaren. En dus is de rol van God teruggedrongen. Hij mag de gaatjes vullen in onze kennis. Als metafysische verklaring voor het onverklaarbare, althans nog een korte tijd, want dan is zijn rol uitgespeeld en het beetje terrein dat Hij nog had definitief veroverd door de wetenschap. De koningin van de rede kan de kar bestijgen en haar triomftocht door de straten aanvangen, God is wegverklaard. De moderne mens met zijn autonome denken heeft Hem ter dood gebracht. 'Waarheen is God?’ schreeuwt Nietzsche honderd jaar geleden al. 'Ik zal het jullie zeggen. Wij hebben Hem gedood - jullie en ik. Wij allen zijn Zijn moordenaars.’ Is dit, in ruwe houtskoolschets, de verhouding tussen God en wetenschap aan het einde van het tweede millennium? En is dientengevolge de mens slechts 'een schitterend ongeluk’ of het resultaat van de doelloosheid van onbestemde materialistische processen, of nog anders, het willekeurige resultaat van een aantal toevalsprocessen? Het is een deprimerende gedachte. Is religie, ook het christendom, dan toch niet meer dan illusie, wensdroom en projectie, heeft de mens God geschapen om zich levenslang op de been maar ook voor de gek te houden en hebben Feuerbach en Freud via de achterdeur, op de bagagedrager van Darwin, dan toch nog gelijk gekregen? Het is tegenwoordig wat naïef om zoals in de vorige eeuw van een materialistisch vooruitgangsgeloof te spreken. Daar heeft onze eeuw, de bloedigste aller eeuwen wel een stokje voor gestoken. Maar toch, gaat de wetenschap ons niet voor naar een lichtende toekomst? Is de strijd gestreden, heeft God de wedstrijd verloren? Of is er sprake van 'mateloze arrogantie’ wanneer de wetenschap haar terrein verlaat en pretentieuze teksten gaat uitspreken over onderwerpen waar zij per definitie geen verstand van heeft? Gelovige (!) wetenschappers in binnen- en buitenland zijn niet erg onder de indruk van de onweerlegbare bewijzen vanuit de wetenschap. Integendeel, zij glimlachen om het opgepompte zelfvertrouwen van de wetenschap en blijven hartelijk in God geloven. In de Verenigde Staten is zelfs sprake van een revival van 'jonge, briljante’ christelijke wetenschappers. Een laatste stuiptrekking of een nieuw begin? Tot nu toe was er in Nederland weinig contact tussen God en de wetenschap. Men leefde in gescheiden werelden en beschoot elkaar zelfs niet meer vanuit de opgetrokken stellingen. Daar moet maar eens een, bescheiden, einde aan komen. Om te beginnen in De Groene.