Essay: Onze krijgsmacht is geen humanitaire organisatie

Ten oorlog

Als oorlogsverslaggever werd Joeri Boom regelmatig door militairen aangeklampt – eindelijk iemand die hen begreep. Nederland moet eens ophouden de term ‘oorlog’ te vermijden in het publieke debat, betoogt hij bij zijn vertrek bij De Groene Amsterdammer. Want wie wil er leven in een leugen?

Medium oerlemans groene

Ik trok voor het eerst naar een oorlog in 1998, de oorlog in Kosovo, ruim een jaar voordat de Navo er intervenieerde. Sindsdien reisde ik tientallen keren af naar conflictgebieden, vaak meerdere keren naar dezelfde oorlog. Vooral in Irak en Afghanistan trok ik veel op met militairen, voornamelijk Nederlanders. Ik was al bekend met de krijgsmacht als defensiespecialist van de redactie, maar pas toen ik militairen persoonlijk leerde kennen, en hen vergezelde tijdens patrouilles en grotere operaties, begon ik te beseffen hoe heftig die krijgsmacht, en het geweld dat zij kan uitoefenen, is. En vooral: hoe weinig de meeste Nederlanders weten van de mannen en vrouwen die erin dienen; van de impact die een uitzending in den vreemde op hen kan hebben; van de belangrijke beslissingen die ze vaak onder grote druk moeten nemen; en van de kameraadschap in die krijgsmacht, die volgens mij de basis vormt voor een succesvolle inzet.

Nederland voert al heel lang – eigenlijk sinds de Tweede Wereldoorlog – officieel geen oorlog meer. En toch hebben militairen sindsdien talloze keren – in feite bij elke ‘vredesmissie’ die ze uitvoerden – oorlogshandelingen aan den lijve ondervonden. Hier klopt iets niet.

Nederland heeft nu in totaal ruim honderdduizend veteranen. Toch kreeg een modern veteranenbeleid hier pas enigszins gestalte in de jaren tachtig en duurde het tot begin dit jaar voordat er een Veteranenwet kon worden aangenomen, nota bene op initiatief van de pvda. Dat komt onder meer omdat Nederland officieel al ruim 65 jaar geen oorlogen meer voert, maar deelneemt aan vredesmissies. Zo zwaar konden die toch niet drukken op de troepen? Dus werd van overheidszijde, maar ook door het publiek, lange tijd de noodzaak niet gevoeld om militairen die overzees gediend hadden te pamperen met een speciaal beleid.

Ik wil het niet zozeer over dat beleid hebben, maar over beeldvorming. De honderd­duizend veteranen, van wie een kleine twintigduizend Afghanistan-gangers, hebben allemaal hun eigen beeld van hun missie, dat is bepaald door de eenheid waarin ze dienden. Een gevechtseenheid of een ondersteunende eenheid, dat maakt nogal uit. Het beeld wordt daarnaast bepaald door talloze factoren: de basis waarvandaan ze opereerden, de periode waarin ze dienden, het gezelschap waarin ze verkeerden, de kennis van het gebied en de cultuur die ze van tevoren opbouwden.

Drie voorbeelden. Het eerste is het verhaal van F, onderofficier bij de artillerie. Ik ontmoette hem in 2006, tijdens het lange wachten op een vlucht met een Hercules van Kabul naar Tarin Kowt in Uruzgan. F moest naar Kandahar. Hij had een functie op het hoofdkwartier van Regional Command South en kwam nooit buiten de poorten van de basis. Afghanistan was zijn vijfde missie. Zijn eerste was Kosovo, daarna diende hij drie keer in Bosnië.

Hij was net terug van twaalf dagen verlof in Nederland. ‘Het is of ik niet ben thuis geweest’, zei hij. ‘Ik belde net met mijn vriendin, zij heeft hetzelfde gevoel. Aan de spulletjes en de restjes shag kon ze zien dat ik er geweest was, maar ze vond het heel onwerkelijk. Je komt in die korte tijd niet los van Afghanistan. Lopen mijn vriendin en ik op straat, zie ik iets, doet het me meteen denken aan Afghanistan. Niets zeggen, denk ik dan. Het heeft geen zin om haar daarmee op te zadelen. Ik moest echt mijn best doen een beetje thuis te zijn, die twaalf dagen.’

In Kandahar liep hij weinig gevaar. Maar bijna elke dag werd de basis beschoten met 107mm-raketten. Dat was nog in de tijd dat het ministerie van Defensie zeer spaarzaam omging met informatie over die beschietingen. De angst was dat de Taliban aan de hand van berichten over de raketbeschietingen zouden kunnen afleiden waar welk projectiel doel had getroffen. Een beetje overdreven, als je het mij vraagt. Het gevolg was wel dat in Nederland mensen dachten dat Kandahar vergeleken bij Uruzgan een picknick was. F verzette zich daartegen. Hij kon de beschietingen wel aan, zei hij. Maar hij had gezien hoe de enige betonnen plaat die diende als dakbedekking van een bunker door de inslag van een raket aan stukken werd geblazen. ‘Er was niemand in die bunker aan het schuilen, maar het toont wel hoe gevaarlijk het hier is, terwijl niemand dat thuis beseft omdat niemand het hun vertelt’, zei hij.

Het tweede voorbeeld is dat van een verpleger, E noem ik hem. Toen ik hem ontmoette in 2008, op de vliegbasis in Kandahar, was hij levendig en vrolijk. Hij wilde me graag alles vertellen over het goede, levensreddende werk dat hij deed in het Role 3-hospitaal. Daar werden vooral Afghanen behandeld, maar ook militairen, meestal slachtoffers van bermbommen – de zogenaamde blast victims. Hij liet daarbij veel foto’s zien en filmpjes die hij had gemaakt met zijn digitale camera. Nu wil het geval dat blast victims vaak gruwelijke verwondingen hebben. Op de foto’s lagen afgerukte ledematen in plassen bloed. Ook had verpleger E uitvoerig vastgelegd hoe een Afghaans jongetje werd binnengebracht dat tussenbeide was gesprongen bij een ruzie van zijn vader met een oom. Dat had hij moeten bekopen met een messteek. En niet zomaar een messteek. Hij werd binnengebracht met het mes rechtop in zijn voorhoofd, het lemmet vrijwel helemaal in zijn schedel verdwenen. E vertelde dat het jongetje na de operatie ernstige hersenschade bleek te hebben.

Ik dacht nog: wat een geweldenaar die verpleger. Ik kan dit niet aan, ook al ben ik wel wat gewend. Ik moest hem zelfs vragen te stoppen met het tonen van zijn foto’s. Het was te gruwelijk. In Nederland duurde het niet lang of E kreeg klachten. Hij bleef maar de geur ruiken van verbrand mensenvlees, en de beelden van wat hij had gezien bleven hem bestormen. Slapen lukte niet meer; hij werd kortaf en agressief. ptss luidde de diagnose, een posttraumatische stressstoornis.

Het derde voorbeeld is dat van officier X. Hij diende in een kleine gespecialiseerde eenheid. Hij had al aardig wat hinderlagen meegemaakt, maar het gevecht in augustus 2007 was één gevecht te veel. Ik was een paar keer met zijn eenheid meegeweest. Toen ik hem weer ontmoette, was ik twee maanden in Nederland geweest. X nam me apart zodra hij kans zag. Hij moest me iets vertellen wat hij niet kon delen met zijn maten. ‘Ik wist dat-ie dichtbij zat, ik wist alleen niet waar’, vertelde hij. ‘Opeens zag ik hem, door mijn vizier. Hij keek mijn kant op, Ik wist dat hij me zocht.’ X drukte af, eerder dan zijn belager. We hebben naar mijn gevoel uren zitten praten. Hij vertelde dat hij niet verder wilde bij de krijgsmacht. Zijn vijftien jaar training had hem niet kunnen voorbereiden op de schok die het doden op korte afstand geeft. Ik vroeg of hij thuis iemand had om mee te praten, zijn vrouw bijvoorbeeld. ‘Ben je belazerd!’ zei hij. ‘Straks ziet ze me als een moordenaar. Dit is niet uit te leggen. Niemand zal geloven hoe gevaarlijk het gebied is waar we opereren.’ Hij hoopte dat hij terechtkon bij zijn broer.

Alle drie de militairen, hoe uiteenlopend hun ervaringen ook waren, maakten me duidelijk dat ze er niet mee thuis konden komen. Het was niet, zeiden ze, dat de mensen om hen heen geen boodschap hadden aan hun oorlogsverhalen. Alledrie hadden ze mensen – geliefden, familie – die bereid waren desnoods dagen- en nachtenlang naar hen te luisteren. Het probleem was, zeiden ze, dat niemand hen kón begrijpen, en dus vertelden ze niet het hele verhaal.

Het was de kloof tussen de vredesmissie zoals de thuisblijvers hem gepresenteerd kregen en de oorlogservaringen die deze militairen ter plaatse opdeden die hen op afstand plaatste van hun omgeving. Het is moeilijk te doorgronden wat oorlog is en wat die met een mens doet. Het wordt onmogelijk te doorvoelen hoe een uitzending het leven van een militair door elkaar schudt, als van officiële weg ontkend wordt dat het oorlog is. Dat neemt niet weg dat de meeste veteranen goede herinneringen hebben aan hun uitzending en wel degelijk het gevoel hebben dat die zin had.

Maar toch: alleen moeten zijn met de angstige momenten die je keer op keer opnieuw beleeft omdat je vreest dat mensen je raar aankijken als je ze om hulp vraagt. Je moeten vastklampen aan de oorlogsverslaggever of all people omdat je zeker weet dat die weet wat oorlog is, en dát het oorlog is. Onderofficier F vertelde me dat hij na eerdere missies veel uitging, te veel dronk en dan nogal eens in gevecht raakte met mensen die daar volgens hem om gevraagd hadden. Ook stapte hij als hij zich eenzaam en onbegrepen voelde in de auto – vaak ’s nachts – om heel hard over de verlaten polderwegen te scheuren. Ik vroeg hem maar niet of hij dan ook gedronken had.

Roekeloos gedrag treedt vaker op bij veteranen, als reactie op gevechtsstress. Psychiater Eric Vermetten, die in het Centraal Militair Hospitaal in Utrecht ptss-patiënten behandelt, vertelde eens in Psychologie Magazine over een veteraan die elke dag met zijn motor de snelweg op ging en dan heel hard tien seconden met zijn ogen dicht reed. Dat gaf hem het gevoel weer te leven.

Overigens was korporaal F stellig in zijn verwachting dat hij Afghanistan beter zou verwerken. Hij had veel geleerd van het thuiskomen uit Kosovo en Bosnië. Van verpleger E weet ik dat hij meteen met zijn klachten terechtkon bij Defensie. Inmiddels is hij genezen en runt hij een succesvol bedrijf in de medische sector. Van officier X weet ik alleen dat hij al weer twee keer uitgezonden is geweest.

Het beeld dat de thuisblijvers van een missie hebben wordt allereerst bepaald door politici. De afgelopen jaren is over vrijwel elke inzet van Nederlandse militairen politieke strijd geweest – of het nu gaat om de deelname aan VN-macht sfir vanaf 2003, de uitzending van commando’s naar Kandahar in 2005, de Uruzgan-missie vanaf 2006 of de politietrainingsmissie in Kunduz waartoe vorig jaar werd besloten. De debatten in de Tweede Kamer gaan vaak niet over inhoudelijke kwesties maar over politieke opvattingen. Het stationeren van lichtbewapende militairen in de onverdedigbare Drina-vallei in Bosnië, een missie die bekend kwam te staan als het Srebrenica-drama, werd ingegeven door politieke emoties en beslissingen: we ‘moesten iets doen’ voor de Bosnische bevolking. De militaire haken en ogen werden tijdens de debatten weggepoetst.

Hetzelfde geldt voor de politietrainingsmissie in Kunduz. De werkelijkheid is dat die deel uitmaakt van de exit-strategie van de Amerikanen en de Navo: Afghaanse veiligheidstroepen trainen, liefst veel in weinig tijd, zodat die het kunnen overnemen als de Amerikanen en de Navo huiswaarts keren in 2014. Omdat de regering voor de missie afhankelijk is van steun van (onder meer) GroenLinks, komt de term exit-strategie in de beleidsstukken niet voor, en is de missie opeens bedoeld om goed te doen voor de mensen in Kunduz door hun verstandige en eerlijke agenten te leveren. Iets wat volgens experts pertinent onmogelijk is binnen de gestelde cursusduur en met de beperkte middelen die voor handen zijn.

Bij de missies in Afghanistan wordt net zomin als bij elke andere naoorlogse operatie van regeringswege duidelijk gemaakt dat het hier draait om oorlogsmissies. Om een missie in een gebied waar het oorlog is, en waarbij Nederland partij kiest. Vóór Karzai, tegen de Taliban. Sterker: minister Henk Kamp van Defensie ontstak destijds in woede als hem werd gevraagd of het oorlog was in Afghanistan. Hij wilde van oorlog niet spreken. Net als zijn opvolger Eimert van Middelkoop. Uruzgan was een opbouwmissie, die niet draaide om vechten, maar om het helpen van de bevolking. Hetzelfde gebeurde in de parlementaire discussie over de Kunduz-missie. Tijdens het debat kreeg premier Mark Rutte de vraag voorgelegd of hij net als bondskanselier Angela Merkel vond dat het oorlog was in Noord-Afghanistan. Zijn antwoord: ‘Ik kies graag mijn eigen woorden.’

Ook de parlementariërs maakten niet bepaald een betrouwbare indruk. Neem de pvda. Ten tijde van Uruzgan was het die partij die in ruil voor papieren garanties de missie aan een meerderheid hielp. Het woord oorlog meed ze toen angstvallig. Maar tijdens het Kunduz-debat gebruikte toenmalig fractievoorzitter Job Cohen – fel gekant tegen de missie – het woord in bijna elke zin. Hetzelfde geldt voor GroenLinks, maar dan omgekeerd. GroenLinks steunde de Uruzgan-missie niet. In Uruzgan-debatten was het dus oorlog voor, oorlog na. Maar tijdens het Kunduz-debat benadrukte Jolande Sap keer op keer het civiele karakter van de missie. Ook al bestaat die uit vijfhonderd militairen en slechts zo’n vijftig politiemensen.

De voorlichters van Defensie vormen een vitale schakel tussen de verantwoordelijke bewindspersonen en de media. Ook dragen ze direct bij aan het beeld via de veelbezochte website van het ministerie van Defensie. Voorlichting vormt een sluis. Waar mogelijk houdt men ook de vinger aan de pols van teruggekeerde militairen die hun verhalen kwijt willen in de media. Zonder dat hier nu direct censuur wordt gepleegd, valt op dat de neiging het officiële beeld te controleren groot is.

Dat is een probleem. Want voorlichters hebben níet tot taak de werkelijkheid van de missie zou goed mogelijk in kaart te brengen en uit te dragen. Zeker aan de top van de voorlichtingspiramide is men met iets heel anders bezig: namelijk met het uit de wind houden van de minister van Defensie. Heeft de regering de missie door de Kamer geloodst als een humanitaire operatie, of als opbouwmissie, dan hebben voorlichters niet de neiging om het ook te hebben over de gewelddadige kant die elke militaire missie nu eenmaal heeft.

Een derde partij die het beeld van de missie bepaalt bij degenen die thuisblijven, wordt gevormd door de media. Ik benoem de media bewust als actor en niet als onpartijdig doorgeefluik van informatie. Journalisten zien zichzelf wél graag zo, natuurlijk. Maar in de praktijk maken zij keuzes over hoe ze te werk gaan, en over wat ze wel en niet opschrijven in de krant of uitzenden op radio en televisie, waardoor zij het beeld echt beïnvloeden. Belangrijk daarbij is dat Nederland maar weinig echte oorlogsverslaggevers kent die zich hebben gespecialiseerd in het onbeschermd opereren in gevaarlijk gebied.

Laat ik volstaan met een voorbeeld. In NRC Handelsblad stond laatst een stuk van Jaus Müller naar aanleiding van het verschijnen van een bijzonder boek over de zeventigjarige geschiedenis van het Korps ­Commandotroepen. De kop boven het stuk: ‘De oorlog die geen oorlog mocht heten.’ In het boek doen commando’s uit de doeken hoe ze in 2005 de provincie Uruzgan verkenden en concludeerden dat er een oorlogs­situatie heerste, die de humanitaire kant van de toekomstige missie ernstig zou verstoren. Deze conclusie werd door de regering weggehouden uit het politieke en publieke debat. Er werd dus een beeld gecreëerd dat niet overeenkwam met de werkelijkheid waar de militairen in terechtkwamen.

Dit nieuws werd het eerst gepubliceerd in NRC Handelsblad. Dat is goed. Maar het kwam veel te laat. De Uruzgan-missie is beëindigd. Het nieuws is opgetekend uit een historische studie. Het had ook gehaald kunnen worden in het veld, voordat de missie losbarstte. Of nog tijdens de missie. Maar NRC Handelsblad koos er, zoals vrijwel alle media, tijdens de Uruzgan-missie voor om voornamelijk aan de hand van Defensie – embedded, zoals dat heet – verslag te doen. De krant heeft nooit volledig los van Defensie de provincie doorkruist. Een enkele keer verbleef een verslaggever zonder militairen buiten de basis. Maar nooit langer dan enkele dagen, en steeds weer werd teruggevallen op de logistieke lijnen van de krijgsmacht. Daarmee maak je je berichtgeving afhankelijk van een strijdende partij. Dat kan invloed hebben op het beeld dat Nederland van de missie heeft.

Blijkbaar gaat de Nederlandse regering ervan uit dat een strijd pas oorlog is als er een oorlogsverklaring aan vooraf is gegaan. Dat is een manier van denken die hoort bij conflicten uit de achttiende, negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw. Tegenwoordig gaan sociologen uit van bredere definities. Een daarvan luidt dat er sprake is van oorlog als er minstens één overheid bij de strijd betrokken is, en als de strijd het leven gekost heeft van minstens duizend mensen. Dat is een definitie die van toepassing is op vrijwel alle conflicten waar Nederland met of zonder stempel van de Verenigde Naties bij betrokken is geweest.

Ik heb me er altijd over verbaasd hoe hardnekkig Nederlandse regeringen proberen de term ‘oorlog’ te vermijden. Het moet erin geslopen zijn na het verslaan van Napoleon in 1815. Nederland schakelde toen over op een neutrale politiek, die uitging van economische belangen. Oorlogszuchtigheid was niet bevorderlijk voor het handeldrijven van een betrekkelijk kleine natie. Maar er werd wel degelijk gevochten door de Nederlanders. In Nederlands-Indië handhaafden we onze koloniale macht met bloedige campagnes op onder meer Java, Lombok en Sumatra (Atjeh). ‘Pacificaties’ werden die genoemd, ook al sneuvelden in de negentiende eeuw meer dan twintigduizend Nederlandse militairen en zo’n driehonderdduizend Indonesiërs. De laatste koloniale oorlog die Nederland in de Oost voerde staat nog altijd bekend als ‘de politionele acties’, hoewel er aardig wat doden vielen voor een politieoptreden: zesduizend aan Nederlandse en zo’n honderdvijftigduizend aan Indonesische zijde. Ook latere oorlogen kregen verhullende benamingen. De Nederlandse regering noemde de oorlog in Korea indertijd ‘het Koreaans conflict’, en de deelname aan de Golfoorlog van 1991 was volgens de regering niet meer dan ‘een militaire handeling’. Het Bosnische Srebrenica werd tot het einde toe door de Nederlandse regering een ‘veilig gebied’ genoemd. En het bombarderen van Kosovo, Servië en Montenegro in 1999, waarbij de Koninklijke Luchtmacht onder meer clusterbommen inzette en elektriciteitscentrales, waterzuiveringsinstallaties en de staatstelevisie werden gebombardeerd, kreeg het etiket ‘humanitaire interventie’.

Uit Libanon, Cambodja, Bosnië en Irak keerden militairen terug met psychische problemen die het gevolg waren van het type geweld, angst en frustratie dat we associëren met maar één ding: oorlogvoering. In elk van deze laatstgenoemde missies, die bekendstaan als ‘vredesmissies’, sneuvelden Nederlandse militairen en werden oorlogshandelingen verricht – tenminste: als we het erover eens zijn dat beschietingen en het leggen van hinderlagen, mijnen en bermbommen oorlogshandelingen zijn.

Wie deze lijst bekijkt weet dat het onzin is dat Nederland geen oorlogvoerende natie zou zijn. Onze krijgsmacht is net als elke krijgsmacht waar ook ter wereld opgericht noch ingericht als een humanitaire organisatie. Onze krijgsmacht is net als elke krijgsmacht een organisatie die is gespecialiseerd in het uitoefenen van maximaal en dodelijk geweld. Militairen hoeven dat geweld niet te gebruiken, maar ze kunnen het wel. Hun skills and drills zijn daarop gericht, en niet op het bieden van ontwikkelingshulp. Maar blijkbaar zijn we bang om dat in te zien. Blijkbaar vrezen we de term oorlog, omdat daar zo veel afschuwelijke beelden bij horen. Toch zijn het juist die beelden die bij veel veteranen vasthaken in de geest.

Ik pleit ervoor om oorlogvoering terug te brengen in het publieke debat. Ik heb het uiteraard over de térm oorlogvoering, in de feitelijke betekenis, niet als pejoratieve, afkeurende term. Ik heb het natuurlijk niet over de praktijk van oorlogvoering, met de misdaden die daarbij horen. Wat dat betreft kunnen wij ons gelukkig prijzen met een krijgsmacht die gedisciplineerd en verstandig blijft opereren onder zware omstandigheden. Ik heb daarvan verscheidene keren getuige mogen zijn.

Overigens betekent mijn pleidooi niet dat de term vredesmissie niet meer zou voldoen. Het gaat mij om de erkenning dat ook een vredes­missie kan plaatsvinden in oorlogsgebied. En dat het oorlogsomstandigheden zijn waarin de door ons gestuurde militair zich staande moet houden.

Ook de veteranen die niet in aanraking zijn geweest met geweld kunnen beter begrepen worden als wij inzien dat zij in een oorlog verkeerden. Oorlog schept een geheel nieuwe moraal die volkomen losstaat van wat we thuis kennen. Goed en kwaad zoals wij die in onze vredige samen­leving beleven, zijn grootheden die elke militair op welke missie en in welke functie dan ook opnieuw voor zichzelf zal moeten definiëren. Het sterke leiderschap en de stevige ethische ankers van Nederlandse militairen voorkomen dat normen en waarden al te zeer gaan schuiven. Maar toch: er wordt aan gewrikt. Eén ding is voor de meeste veteranen duidelijk: het was daar niet als hier. De dood was sterker aanwezig; er liepen kinderen met wapens rond. Mensen waren vies en arm en overal heerste gevaar. Ik geef een voorbeeld. Na de zware gevechten in de Chora-vallei in Uruzgan in juni 2007 interviewde ik een korporaal en een soldaat. Ik vroeg die mannen of ze het gevoel hadden dat dit was wat Den Haag van hen verwachtte. De mannen keken me aan alsof ik gek was. ‘Luister’, zei de korporaal. ‘Het kan me niet schelen hoe ze deze missie noemen. Wat we in die vallei meemaakten was oorlog. En nog iets: wij vechten niet voor Den Haag, maar voor elkaar.’

Die moraal, de oorlogsmoraal waarbij het Goede vooral wordt gevormd door de kameraden en de enige zinvolle daad door het uitvoeren van de gegeven opdracht, heerst ook op vredesmissies en heeft een grote impact op de militair. Het is een moraal die niet-strijders simpelweg niet kennen, maar die ze zich wel voor de geest kunnen halen. We kennen oorlog uit verhalen en beelden uit ons verleden, en uit talloze realistische romans en films. Daardoor kan iedereen zich voorstellen wat het betekent te moeten werken en overleven in een oorlogssituatie. Alleen daarom al is het van belang dat we de term oorlog (in zijn feitelijke betekenis) in ere herstellen, en opnieuw invoeren in het politieke en maatschappelijke discours.

Maar er is nog een reden. Als we toelaten dat de regering, en in haar kielzog voorlichters en media, de term oorlog zo hardnekkig blijven mijden, staan we toe dat ons niet de hele waarheid wordt verteld. En wie wil er leven in een leugen? De Britten en Amerikanen beseffen dat. Zij hanteren van overheidswege de term war voor (onder meer) de strijd in Irak en Afghanistan.


Joeri Boom vertrekt na zeventien jaar als redacteur bij De Groene Amsterdammer_. Vanaf 1 april is hij correspondent Zuid-Azië voor_ NRC Handelsblad_. Hij gaat tevens werken voor_ RTL Nieuws en RTL Z_. Gelukkig zal hij ook blijven schrijven voor_ De Groene Amsterdammer