De surrealistische wortels van de found footage

Ten oosten van Borneo

De vroege surrealisten zochten naar onverwachte dingen en maakten van het leven een collage. Volgens die traditie maakte Joseph Cornell Rose Hobart.

In de jaren twintig van de vorige eeuw kon je op zomaar een avond een groepje opgewonden kunstenaars door Parijs zien dwalen. Niet op kroegentocht maar op bioscopentocht. In geen van de filmpaleizen of buurtbioscopen bleven ze langer dan een kwartier. Het filmverhaal dat ze op zo’n avond tot zich namen bestond uit een estafette van onvergelijkbare fragmenten, een relaas met onverwachte wendingen, onmogelijke personage­verwisselingen, van actie naar komedie, fictie en documentaire vloeiden ineen.

Dit soort capriolen van de surrealisten van het eerste uur spreken sterk tot mijn verbeelding. Wat je er al niet voor over moest hebben om een beetje te zappen en zo je eigen, onnavolgbare filmvertoning te realiseren. Wie er precies bij waren weet ik niet, maar ik stel me de strenge André Breton aan de leiding voor, gevolgd door Max Ernst, Yves Tanguy, Man Ray en Tristan Tzara. Mooi gezelschap, zeker als Man Ray een van zijn adembenemende vriendinnen had meegenomen. Op zo’n avond konden ze zich ook nog overgeven aan estafettegedichten of estafette­tekeningen, het populaire gezelschapsspel van het ‘cadavre exquis’, naar de eerste zin die ooit uit zo’n spelletje te voorschijn kwam: ‘Le cadavre exquis boira le vin rouge.’ Wie zou welk woord hebben aangedragen in deze illustere zin?

Tijdens de filmestafette hadden de surrealisten weinig of geen greep op de droom die ze kregen voorgeschoteld. Het ‘wonderbaarlijke’ werd ze toegeworpen, de tocht dompelde hen in een verrassende montage van onbedoelde betekenissen, de avond voerde hen een collectief gedeeld mysterie binnen. Hoe ruw ook, het leverde een unieke collagefilm op, of, zoals het tegenwoordig wordt genoemd, een found footage-film.

Door de openingstentoonstelling van EYE, Found Footage: Cinema Exposed, staat het genre hernieuwd in de belangstelling. Sinds de jaren negentig van de vorige eeuw, toen naast beeldend kunstenaars ook veel filmmakers ‘gevonden’ filmmateriaal gingen hergebruiken voor nieuwe verhalen en beeldessays, wordt found footage vooral ingezet voor een ontleding van de alomtegenwoordige beeldcultuur. Dat is zeker een belangrijk aspect van het genre, maar de directe lijn naar het vrolijke gezelschapsspel van het cadavre exquis dreigt daarmee nogal eens te worden vergeten. Niet dat de surrealisten hun spelletjes niet serieus namen, maar hun zoektocht was eerder gericht op de verwondering over het onbenoembare dan op een deftige analyse van, om maar iets te noemen, vrouwbeelden, koloniale onderdrukking of de macht van de media.

Sleutelfilm in de surrealistische connectie van de found footage is Rose Hobart van Joseph Cornell. Het is de moederfilm van het genre. De film werd voor het eerst vertoond in 1936, om daarna tot de jaren zestig ongezien te blijven. Ook daarna gaf Cornell slechts sporadisch toestemming voor vertoningen. Maar internet ontneemt nu iedereen het excuus van onvindbaarheid: de prachtige website www.ubu.com vertoont de film gratis.

Joseph Cornell (1903-1972) rolde als bij toeval in het wereldje van de surrealisten. Eigenlijk was hij een verzamelaar, zo iemand die de rommelmarkten en antiquariaten van New York afspeurde naar vreemde, onverwachte, intrigerende objecten, foto’s en prenten. Ook oude grammofoonplaten en 16mm-films voor thuisgebruik hadden zijn belangstelling. Al in zijn jonge jaren verzorgde hij voor familie en vrienden filmvoorstellingen met zijn vondsten, en hij is daar eigenlijk nooit mee opgehouden.

Begin jaren dertig van de vorige eeuw ontdekte hij in de zojuist geopende galerie van Julien Levy dat zijn knip- en plakwerk met oude prenten erg veel weg had van de surrealistische collages die Max Ernst maakte. Hij liet zijn werk aan Levy zien en een kunstenaar was geboren, al moest hij zichzelf en zijn familie financieel nog lang onderhouden met saaie kantoorbaantjes of het huis aan huis verkopen van stofzuigers.

De collages op papier werden al snel in driedimensionale doosjes uitgevoerd (de beroemde shadow boxes). Je hoeft deze kleine pareltjes van collagevernuft maar één keer in het echt te hebben gezien om de charme ervan te begrijpen. De combinaties van opgezette papegaaien met foto’s van geliefde filmsterren of balletdanseressen zijn doortrokken van een diepe melancholie. Sentimentele kleurenprentjes achter tralies of woorden die uit een Goudse pijp opstijgen krijgen in deze doosjes iets van een wonder. Cornell frommelde dingen bij elkaar die niet bij elkaar hoorden en het resultaat was om te huilen zo mooi.

Zo moet het ook gegaan zijn met zijn bijdrage aan de filmcultuur. Hij bezat veel ‘gekke’ filmrolletjes: educatieve films, cartoons, journaals. Die oude filmpjes wilden nogal eens breken of stuk gaan. Plakte hij de uiteinden weer aan elkaar dan kon er wel eens iets misgaan en werd hij verrast door onbedoelde verhaaltjes: grappig, verwarrend, vreemd, zoals de collages in zijn shadow boxes. Het bracht hem op een idee.

In een vuilnisbak had hij een heuse speelfilm gevonden: East of Borneo, een jungledrama rond actrice Rose Hobart. De film is een niemendalletje, zoals Hollywood er vele uitspuugde, maar Cornell zag mogelijkheden. Hij hermonteerde het verhaal over een burgertutje dat op een Indonesisch eiland haar drankzuchtige echtgenoot zoekt die voor een sinistere prins werkt. Hij verwijderde de actie en concentreerde zich op Rose Hobart in plaats van op het stompzinnige verhaaltje. Bovendien voegde hij beelden toe van een zonsverduistering en een druppel water die een wateroppervlak rimpelt. Het leverde iets enerverends op, van een onbedoelde poëzie, een soort cadavre exquis.

Als hij zijn montage vertoonde liet hij de projector op achttien beelden draaien, wat de handelingen nog eens een unheimlich soort vertraging gaf. Voor de lens plaatste hij een diepblauwe glasplaat, waardoor alles zich in een nachtelijk waas afspeelde. Hij schakelde het geluid van de film uit en draaide onafgebroken twee 78-toerenplaten uit zijn verzameling: Forte Allegre en Belem Bayonne van Nestor Amarals Holiday in Brazil. De bioscopentocht van de Parijse surrealisten had zijn eerste heuse filmequivalent op huiskamerformaat.

Rose Hobart is nog steeds ronduit verbluffend. Als een van de eerste beelden gebruikt Cornell een inrijder op de slapende actrice achter een muskietennet. De merkwaardige vertraging (die je niet duidelijk ziet, maar onbewust toch waarneemt) en de ironiserende klanken met Braziliaanse vrolijkheid trekken je een droomachtige wereld in. Doordat Cornell louter aandacht voor Hobart en haar blikken heeft, ontstaat er iets wat op een herinnering lijkt, of beter, een Droste-effect aan herinneringen, want elke blik levert een tegenblik van dezelfde Hobart op, alsof ze steeds opnieuw naar zichzelf kijkt, zich in zichzelf verliest.

Gaandeweg krijgen de beelden een erotische spanning (het losknopen van een overjas lijkt ineens een verleidelijke striptease), gebeurtenissen die uit het actiedrama zijn overgebleven (krokodillen worden de rivier in gejaagd, een vulkaan spuwt vuur) krijgen een seksuele connotatie. Rose Hobart, die keurige dame verdwaald in een nachtelijke jungle, blijkt een borrelend vat van verlangens, hartstochten, onderdrukte erotiek, gewelddadige fantasieën. En ondertussen zingt Nestor Amaral onverstoorbaar – o, ironie – zijn hypnotiserende Braziliaanse vakantiedeuntjes. Cornell heeft de 77 minuten van East of Borneo teruggebracht tot een perverse reader’s digest van twintig bloedstollende minuten.

Poëzie die uit het onverwachte voortkomt, de ongekende combinatie die verrast of verontrust zoals in een droom of nachtmerrie, het wonderbaarlijke laten opborrelen uit de aaneenschakeling van banale beelden uit een filmniemendalletje: de eerste found footage-film is het programma van het surrealisme in een notendop. Zo dacht ook Salvador Dali erover. Het toeval wilde dat hij aanwezig was bij de eerste openbare vertoning van de film. Toen het Museum of Modern Art een eerste grote overzichts­tentoonstelling aan het surrealisme wijdde, belegde Julien Levy, vertegenwoordiger van Europese surrealisten in de Verenigde Staten, een filmmatinee in zijn galerie. We schrijven december 1936. Er was een filmpje van Marcel Duchamp en een van Man Ray. Joseph Cornell vertoonde Goofy Newsreels en Rose Hobart.

Over wat volgde zijn niet alle vertellers het eens, maar dat er tumult ontstond is zeker. Volgens Levy schreeuwde Dali plotseling ‘Salaud, salaud!’ Anderen zeggen dat Dali zich woedend op de projector stortte, schreeuwend dat Cornell het idee van hem had gestolen. Een idee dat hij niet heeft uitgevoerd, maar waarmee hij zeker veel geld had kunnen verdienen. In nog een andere versie riep Dali: ‘Hij heeft het van mijn onderbewuste gestolen.’ Misschien de mooiste.

Gala Dali verontschuldigde zich uitgebreid bij Cornell voor haar echtgenoot, maar de toch al introverte kunstenaar wilde zijn film daarna niet meer vertonen. Pas in 1963 wist Jonas Mekas hem over te halen Rose Hobart in de befaamde Anthology Film Archives te draaien. Deze New Yorkse vrijhaven van de avant-garde kopieerde de bestaande kopie, gek genoeg op aandringen van Cornell, met een paars-roze zweem en niet het blauw van de originele vertoning.

Cornell overwoog de film een nieuwe titel te geven, Tristes tropiques, naar het reisverslag van Claude Lévi-Strauss, dat hij overigens niet had gelezen. Dat maakt de allusie niet minder geslaagd, de film van Cornell is doordrenkt van een diepe triestheid, het vrolijke montagespel heeft hem bij een welhaast morbide werkelijkheid gebracht die in East of Borneo en in de blik van actrice Rose Hobart in het origineel onzichtbaar was. Zouden we dat het onder­bewuste van die film kunnen noemen? Dat is een aantrekkelijke gedachte. Sterker, ik zie het als de kern van de found footage.

De found footage is sinds de jaren zestig van de vorige eeuw een bestendig genre in de wereld van de film-avant-garde. In de droomachtige filmpjes van Bruce Conner – die de aandacht opnieuw aanzwengelde – was de surrealistische connectie nog vanzelfsprekend, maar in veel wat daarna kwam is de verwantschap niet direct zichtbaar. Toch kan het geen kwaad om bij die latere films steeds de surrealistische wortels in gedachten te houden. Niet uit kunsthistorische overwegingen, maar omdat ze het kijkplezier er rijker door maken.

Neem de home movie-_collages van de Hongaar Péter Forgács, zijn die niet voortdurend op zoek naar het onderbewuste in het gelukkige leven van de bourgeoisfamilies die ze portretteren? De proeven van filmanalyse van de Duitsers Matthias Müller en Christoph Girardet, leggen die niet de onuitgesproken, surreële (beeld)motieven van Alfred Hitchcock bloot? En _Dial HISTORY, het media-epos van de Belg Johan Grimonprez, toont die niet het onderbewuste van de televisiecultuur, de geheime en gesloten krochten van televisiegeweld?

Kortom, de bezoeker in EYE moet de komende weken bij de voorstellingen en tentoonstelling van Found Footage vooral aan het gezelschapsspel van het cadavre exquis denken. Misschien is al dat wonderbaarlijke dan opeens veel minder vreemd. Maar niet minder mysterieus natuurlijk.


Rose Hobart is 3 juni te bewonderen in EYE. Vrijdag 20 april interviewt Peter Delpeut als onderdeel van een symposium over found footage Aernout Mik (onder voorbehoud) en Christoph Girardet over het genre