De revanche van de roman

Tendentieus en leugenachtig

Vorige week opende Kees ’t Hart op deze plek een debatreeks over de toekomst van de Nederlandse roman. Aanleiding voor de discussie was Thomas Vaessens’ studie De revanche van de roman. ’t Hart stelde dat Vaessens de romankunst belachelijk maakt. Deze week is de beurt aan Arie Storm, die Vaessens’ pleidooi voor afschaffing van de literatuur krankzinnig vindt.

Is het normaal dat een hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam een boek schrijft waarin hij liegt en bedriegt, als een middelbare scholier die een scriptie schrijft eindeloze en saaie samenvattingen van romans opneemt, van een volkomen gebrek aan smaak blijk geeft, de literatuur überhaupt probeert af te schaffen, secundaire literatuur aanhaalt die hij nauwelijks heeft ingekeken, geen idee heeft van de betekenis van sommige literatuurwetenschappelijke termen, voortdurend alles versimpelt en  om een eind aan deze opsomming te maken die nog wel een tijd door zou kunnen gaan  oneigenlijke argumenten gebruikt om een toch al krankzinnig pleidooi te onderbouwen?

Want zo’n boek heeft Thomas Vaessens, de in 1967 geboren en nota bene in Utrecht opgeleide hoogleraar van de Universiteit van Amsterdam geschreven met De revanche van de roman. De Duits aandoende ondertitel luidt Literatuur, autoriteit en engagement. Het boek is een aanfluiting, geschreven door een warhoofd, met een vermoedelijk zeer bedenkelijke doelstelling.

Bijna aan het eind van het boek staat de volgende, typerend waanzinnige en blufferige alinea (let ook op die opmerking over het besteden van zijn tijd, alsof het niet gewoon zijn werk is): ‘Schrijvend over romans denk ik dat ik als letterkundige betrekkelijk neutraal kan zijn. Het feit dat ik mijn tijd besteed aan roman x, en niet aan roman y, verraadt weliswaar dat ik x op het moment méér de moeite waard vind dan y (of: interessanter, problematischer, uitdagender, onbegrijpelijker…), maar verder valt het met mijn parti-pris wel mee. Het gaat immers echt niet altijd over x, en voor y is in een volgend boek vast een mooi plaatsje weggelegd. Maar nu ik over ontwikkelingen in de literatuurbeschouwing ga schrijven, kan en zal ik niet verhelen dat ik als literatuurwetenschapper partij ben.’

Dat schrijft de betrekkelijk neutrale letterkundige Vaessens, tevens jurylid van de Libris Literatuurprijs 2009. Voor de goede orde en om deze hogere wiskunde ook voor de leek begrijpelijk te maken: x is het verzameld werk van Arnon Grunberg; y is de grote onbekende, maar zal in een volgend boek van Vaessens gerust weer het zich dan inmiddels verkwadrateerde verzameld werk van Arnon Grunberg kunnen zijn. Want jeugdboekenauteur Grunberg, die net als alle kinderen tegen oorlog is, is in de optiek van Vaessens het ijkpunt van de Nederlandse literatuur. Kees ’t Hart heeft het gewaagd de roman Onze oom van Grunberg negatief te bespreken; prompt merkt Vaessens over ’t Hart op: ‘Nergens blijkt dat de recensent zich heeft afgevraagd of deze literaire stijlkritiek een adequate reactie is op het besproken boek.’ Kees ’t Hart reageerde vorige week in dit opinieblad niet of nauwelijks op deze opmerking, daar is hij misschien te chic voor, en daarom zal ik het maar zeggen: het is een schande.

Zoals ik Vaessens’ samenvatting van mijn bespreking in Het Parool van Snijpunt van Nelleke Noordervliet ook een schande vind. De thematiek van dat bespottelijke boek van Noordervliet komt in tegenstelling tot wat Vaessens beweert wel degelijk in mijn recensie aan de orde, en als ik het over ‘vette bedoelingen’ heb, dan zet ik daarmee uiteindelijk juist weer niet de thematiek weg (zoals Vaessens schrijft; en ik neem dat apentaaltje van hem maar even over), maar ben ik weer bezig met mijn stilistische uiteenzettingen  opmerkingen die volgens Vaessens in een recensie van een literaire roman nergens op slaan; stijl, daar kun je het als recensent maar beter niet over hebben. Zelf zet Vaessens Snijpunt neer als ‘een roman over radicalisering, maar ook over het thema van het (literaire) engagement zelf’. Ja, en mijn lelijke tante is niet mijn lelijke tante, ze is een tante over dik worden, maar ook over het thema van het (tanteachtige) dik worden zelf.

Ik zeg altijd: een roman gaat nergens over, een roman is, en door dat zijn, verandert er iets in de wereld  veel meer valt er over literair engagement niet te zeggen, maar op zichzelf is dit al genoeg, probeer er maar eens achter te komen wat een roman op welke manier in de wereld heeft veranderd, en je komt dan toch weer bij stijl uit, vermoed ik. Een schrijver moet de wereld die hij in zijn roman inricht zo precies mogelijk oproepen. Daarin schuilt de helende, genot verschaffende en uiteindelijk zelfs performatieve kracht van literatuur.

Met de term ‘performatief’ (een handeling die zich voltrekt op het moment dat die door een taaluiting wordt uitgedrukt) verwijs ik naar de Amerikaanse literatuurwetenschapper J. Hillis Miller, die door Vaessens ook al zo raar te kort wordt gedaan. Miller heeft prachtige studies over literatuur gepubliceerd  ik denk aan boeken als Fiction and Repetition (1982) en Versions of Pygmalion (1990)  en Vaessens presteert het om hem te citeren uit zijn minst ambitieuze boek, dat eigenlijk vooral een inleidend karakter heeft: On Literature (2002). En dat niet alleen, Vaessens haalt uitsluitend de eerste en de tweede zin van dat boek aan; plus nog een fragment van een zinnetje, verkeerd geciteerd en uit de context gehaald, het staat enkele  niet veel  bladzijden verder in het boek. Die eerste twee zinnen geeft hij in omgekeerde volgorde, met wat tekst ertussen, zodat het net lijkt alsof hij toch echt dat hele boek heeft gelezen. Ze luiden: ‘The end of literature is at hand. Literature’s time is almost up.’ Daar stemt Vaessens met graagte mee in. Maar dit is in het geheel niet de mening van Miller. De Amerikaan is hier retorisch. Slechts enkele zinnen verder schrijft hij namelijk al: ‘Literature, in spite of its approaching end, is nevertheless perennial and universal. It will survive all historical and technological changes. Literature is a feature of any human culture at any time and place.’ Dat is andere koek.

Ik maak me zorgen. Krijgen studenten dit tegenwoordig onderwezen aan de universiteit: tendentieus en leugenachtig citeren? Gaat er hier in de basis niet iets heel erg fout? Wat is de bedoeling van Vaessens nu eigenlijk echt? Wil hij van het vroegere bolwerk van wetenschap een leugenfabriek maken? Maar waarom in vredesnaam? Ik zou er bijna een roman over gaan schrijven.