Tennismemoires

Wat maakt topsport voor ons zo eindeloos fascinerend om naar te kijken? Willen we talent bewonderen? Discipline? Zijn we jaloers? Over talent dat een last kan zijn.

Even wat herinneringen. Terug in de tijd. Paars II, hoogzomer. Dit waren de dagen waarin ik vermoedde dat ik nog weleens Een Heel Grote kon gaan worden. Ik had bondstraining, wedstrijdtraining, conditietraining, privé-training. Ik zeulde met een tennistas die zo groot was dat je me erin kon stoppen en de rits nog kon dichtkrijgen.

Ik was ook heel dom in die tijd – het zou tot een jaar of vijftien duren voordat er enige vorm van zelfstandig cognitief vermogen ontstond. Ik herinner me dat ik de binnenband van mijn fiets vol water pompte, in de veronderstelling dat dit de gebruikelijke manier was om een lek te vinden. Maar wel tennis dus. Dat gevoel dat je krijgt als een bal naar je backhand stuitert en je weet: ik kan nu alles doen wat ik wil. Niets is zo elegant als een enkelhandige backhand.

Er was een talentenpoule met fanatieke jongens en meisjes. Knappe meisjes vielen af. ‘Heb je niets aan’, hoorde ik de hoofdcoach over een veertienjarige Anna Kournikova-lookalike zeggen tegen een andere coach, ‘over een jaar ontdekt ze jongens en dan interesseert sport haar niks meer.’

Overigens werd datzelfde meisje een keer midden op de baan (hoe moet je het anders zeggen?) ondergescheten door een laag overvliegende reiger. Ik zal het nooit vergeten. Alsof je het bombardement op Rotterdam zag.

Maar de relevante herinnering – Paars II, hoogzomer – is aan de halve finale van de Kringkampioenschappen Noord-Holland-Noord. Mijn tegenstander was heel goed, wist ik, want hij had net zo’n grote tennistas als ik. Ik dacht: ik ga niks fout doen. Elke service naar zijn backhand, elke forehand cross de baan uit, geen fratsen. Ik won die halve finale, en daarna de finale. Coach zei: ik heb je nog nooit zo gedisciplineerd gezien.

Een van de interessantste dingen aan sport is wat talent nu precies is. Talent is denk ik niet de bal in de kruising krullen – de wereld is bezaaid met mensen die weleens de bal in de kruising hebben gekruld. Talent is eerder een mentaliteit, een hardheid. Als ik Sven Kramer rondjes zie schaatsen kan ik denken: ‘Goh, als ik elke dag de hele dag train, kan ik vast net zo snel die rondjes schaatsen.’ Maar het talent is dat Sven Kramer het kan opbrengen elke dag de hele dag te trainen.

Op zichzelf is sport niks. Een bal die heen en weer gaat dient verder geen groter doel

Ik herinner me ook precies wanneer ik die discipline verloor. Opeens waren er nog jongere spelers, die anderhalve kop kleiner waren en elke bal een centimeter voor de lijn beukten. Dat besef: ze zijn beter. Dat besef is ook dat er een einde aan je eigen groei zit.

Tijdens een trainingswedstrijd kreeg ik een korte bal, hoog genoeg om te smashen. De jongen stond bijna tegen het achterhek en ik speelde, heel ironisch, een boogballetje kort achter het net. Alsof ik een badmintonshuttle sloeg. Een onzinballetje. Mijn team langs de kant moest lachen. Dat was het moment; een gedisciplineerde speler zou de bal wegsmashen, geen fratsen. Ik koos ervoor mijn teamgenoten te laten lachen. Een paar jaar later ging ik studeren en bestond tennis alleen nog op tv.

Voorafgaande aan Roland Garros liet Naomi Osaka weten dat ze de verplichte persconferenties na de wedstrijd zou boycotten; niet alleen zij had er last van, zei ze, maar veel speelsters. Dat ze na een verloren wedstrijd tekst en uitleg aan de media moesten geven waarom ze verloren hadden. Het was traumatiserend.

Osaka is de nummer twee van de wereld, een fenomeen. Ze won vier grand slams in drie jaar, is de best verdienende atlete ter wereld. Het ironische is dat juist haar persconferenties altijd de moeite waard waren; ze speelde nooit mooi weer, was een stuk openhartiger dan veel collega’s, sprak zich geëngageerd over van alles uit.

Inmiddels heeft ze zich teruggetrokken van Roland Garros, ze kampt met depressies die, liet ze weten, uit de enorme prestatiedruk voortkomen. De sportwereld viel haar bij, atleten uit tal van sporten spraken hun steun uit over de aanslag op hun mentale gezondheid, over de prestatiedruk – zijn die confronterende mediamomenten na wedstrijden niet ronduit ‘onveilig’?

Er zit een vreemde paradox in waar ik me nog niet overheen kan zetten. Want op zichzelf is sport niks. Een bal die heen en weer gaat dient verder geen groter doel. Waar we naar kijken als we naar topwedstrijden kijken is het pure winnen en verliezen. De speler die vanaf de middenlijn naar de penaltystip loopt – alle ogen op hem, hoe gaat hij met de stress om? En na die stress komen de emoties, de tranen, de snotterende interviews aan de rand van het veld. Dat is het onverslaanbare drama, dat is waarom topsport de grootste entertainmentindustrie ter wereld is. Topsport bestaat bij de gratie van de atleet die zich in het oog van de camera niet kan verstoppen. Het zal nooit niet ‘onveilig’ zijn.

Natuurlijk gun je Osaka haar mentale gezondheid, maar eerlijker is om te zeggen dat je topsporters zo waardeert om wat je ze misgunt. Je gunt ze geen fratsen, geen grappige boogballetjes, geen afleiding van jongens of meisjes. Je gunt ze een gedisciplineerd, uitgehongerd bestaan. Want dat is het entertainment van topsport. Kijken naar iets wat je zelf niet kunt opbrengen.