Graag omkijken, Orpheus!

Tentoonstelling: Niet omkijken Orpheus!

Het Theater Instituut Nederland gaat met zijn collectie het land in. Om te beginnen: een tot nadenken prikkelende tentoonstelling in Zwolle over vijftig jaar muziektheater.

TENTOONSTELLINGEN OVER THEATER hebben vaak iets moeizaams. Decorontwerpen, scènefoto’s, een enkel kostuum of masker – het kan het onmiddellijke gevoel van het theater nauwelijks oproepen. Maar in Zwolle heeft regisseur Peter te Nuyl samen met vormgever Mirjam Grote Gansey van de tentoonstelling Niet omkijken Orpheus! een beetje theater weten te maken.
De titel is enigszins autobiografisch. Te Nuyl heeft in de afgelopen jaren drie keer een Orpheus van Gluck geregisseerd, met wisselend succes. Daar wordt niet op gereflecteerd (al is er aan het begin een plaagstootje voor Pierre Audi). De tentoonstelling is geen keurige theatergeschiedenis geworden – je mist een boek waarin je het allemaal nog eens na zou kunnen lezen – maar een opwindende reis langs een aantal hoogtepunten, die soms heel eigenwijs zijn gekozen.
Zo wordt Maria Callas hier als theatervernieuwer gepresenteerd. Voor Peter te Nuyl is zij niet in de eerste plaats een operadiva of een vrouw die eenzaam is gestorven: ‘Zij dwong met haar gebaren en de koppeling van lijfelijkheid met muziek de regisseurs ondanks henzelf tot een nieuwe vorm van operaregie. In Amerika spreken ze niet voor niets over BC en AC, vóór Callas en na Callas.’
Maar de tentoonstelling besteedt ook aandacht aan Walter Felsenstein, van 1946 tot 1975 de legendarische leider van de Oost-Berlijnse Komische Oper, wiens naam nu misschien niet veel mensen meer iets zegt. Maar in de visie van Peter te Nuyl is hij het die de opera uit de sfeer van verhevenheid en grote gebaren heeft gehaald en heeft vermenselijkt. Op videofragmenten van zijn indringende manier van regisseren en een grote koorscène uit Verdi’s Othello is dat goed te zien.
Spannend is het om eigenhandig een aantal operafragmenten in verschillende versies te kunnen vergelijken. Zo is het einde van Mozarts Don Giovanni te zien in een traditionele voorstelling uit 1953, in de psychologische benadering van Felsenstein uit 1966 en uit de baanbrekende enscenering van Peter Sellars uit 1990, waarin Don Giovanni en zijn knecht Leporello gespeeld worden door een zwarte tweeling die de straten van Harlem onveilig maakt. Je kunt ook zelf schakelen tussen drie versies van La Bohème, uit 1977, 1993 en 2001, en tussen driemaal een scène uit Wagners Die Walküre, door Patrice Chereau in de negentiende eeuw geplaatst, hevig gepsychologiseerd door Harry Kupfer en veel afstandelijker en esthetischer vormgegeven door Pierre Audi.
De operavernieuwing van Audi in Amsterdam krijgt niet overdreven veel aandacht, het werk van Gerard Mortier in Brussel, Salzburg en Parijs komt helemaal niet aan de orde, net zo min als regie en vormgeving van bijvoorbeeld Ursel en Karl-Ernst Herrmann. Je kunt niet alles hebben.
Er is wel een grote zaal gewijd aan de vernieuwingen in het muziektheater en de opera in Nederland. Het is een verwarrend en enerverend environment. Tussen golven van theaterfoto’s zie je op drie schermen tegelijk fragmenten uit Einstein on the Beach van Philip Glass en Bob Wilson, Nixon in China van John Adams en Peter Sellars, De val van Mussolini van Dick Raaymakers en Paul Koek, Sentimenti van Johan Simons, Houdini en Aap verslaat knekelgeest van Peter Schat, en heel vroege voorbeelden van deconstructietheater als Labyrinth (Peter Schat, 1966) en Reconstructie van het roemruchte theatercollectief uit 1969. Er zijn ook fragmenten uit Rosa en het recente La Commedia van Louis Andriessen. Je kijkt naar drie schermen, maar hoort steeds het geluid van één voorstelling, van welke, dat wisselt bij toeval. Je zou er lang moeten zitten om alles te kunnen zien en horen, maar de verwarring in deze zaal is opzettelijk. Zo zullen het publiek en zelfs de makers het ook vaak hebben beleefd in de afgelopen decennia, waarin het muziektheater in Nederland zich uit vele bronnen tegelijk heeft ontwikkeld.
Nog even. Bij de opening van de tentoonstelling zei Louis Andriessen vriendelijk dat deze vruchtbare periode waarschijnlijk voorbij is nu een commissie die geen interesse heeft voor moeilijke muziek heeft bepaald dat de ensembles die zo stom zijn die te maken maar moeten worden opgeheven: ‘Zoals in 1911 de première van Stravinsky’s Petroesjka bijna moest worden afgelast omdat Diaghilev vierduizend Franse francs te kort kwam, zo zal er ook nu veel kleinschalig Nederlands muziektheater niet meer worden gemaakt. Dat zal ooit wel weer veranderen, maar dan ben ik dood, u hopelijk niet.’ Deze tentoonstelling laat zien wat we allemaal gemist hadden als Nederland in de laatste decennia net zo krenterig was geweest als het nu dreigt te worden.

Niet omkijken Orpheus! Museum De Fundatie, Zwolle, t/m 10 mei; www.museumdefundatie.nl