t/m 11 september in De Hallen, Haarlem

Tentoonstelling Zó Hollands

‘Men kan uit de natuur verschillende keuzen doen’, schreef de schilder P.J.C. Gabriel (1828-1903). Daarmee vatte hij in één zin waar de tentoonstelling Zo Hollands om draait: wat doen kunstenaars eigenlijk, als zij iets ‘naar de natuur’ maken?

Medium schermafbeelding 2011 09 02 om 11.28.00

Natuur wordt hier vernauwd tot landschap, meer specifiek het Hollandse en het Zeeuwse, de polder, het vlakke land dat, zoals Brel zong, kan kraken en juichen. Niet het Brabantse of Drentse of Gelderse landschap, dat weer heel andere ‘schilderachtigheid’ entameert; we zijn hier per slot in Haarlem. De werken zijn verdeeld in drie porties: ‘impressie’, ‘expressie’ en ‘manipulatie’, en lopen grofweg vanaf 1850, beginnend bij de Haagse School via Sluijters en Toorop, langs Fernhout en Brands tot aan Dibbets en Barbara Visser. Net als in de vorige tentoonstelling over de Nederlandse romantiek toont De Hallen een elegante, compacte selectie in een heldere structuur, met een paar topstukken, een paar fijne onbekende werken en daarbij een niet-opdringerige, kernachtige begeleiding in tekst.
De opdeling in porties is op zich correct, al geeft het de indruk dat er een waterscheiding is tussen de twee benaderingen. Het aardige is dat sommige schilders juist zo vlák bij elkaar liggen, in de tijd en in hun attitude. Mondriaan zit begin twintigste eeuw nog zeer dicht op Mauve, die, als je langer kijkt naar die witte lucht en die boomtakken in Paarden bij het hek (1878) ook al dicht komt bij het loslaten van de weergave van de werkelijkheid. Het gat tussen de Koeien aan de plas van Willem Maris en de bonte expressie van Jan Sluijters lijkt heel groot, maar toch ook weer niet: in Maris’ lichte koeienvacht, vol in de zon, opgevat om ‘alleen het licht te schilderen’, speelt de schilder met vuur in een zeer losse toets en bijna onstuimige kleuren. Het zijn nog altijd twee koeien, en het gaat om de impressie van licht in de werkelijkheid, maar die benadering is maar één of twee stappen verwijderd van een fauvistisch avontuur.
Natuurlijk is er een verschil te maken. De generatie van Weissenbruch stond nederig ten opzichte van wat de natuur bood. Als het stormde greep Weissenbruch zijn jekker, trok de klompen aan en ‘ging er in op’; hij kreeg dan, naar eigen zeggen, ‘soms een klap van de natuur’. Meer was er niet nodig. Tholen schreef dat je in het veld gewoon goed moest kijken, dan had je in het atelier ‘niet veel te tobben’; ook Roelofs zei dat je je bij de eenvoudige waarheid van de observatie moest houden: ‘Men is maar al te zeer geneigd er iets anders, zoogenaamd beters, van te maken.’ Dat gebeurde natuurlijk wel. De samenstellers merken bij Jacob Maris’ De vijf molens fijntjes op dat de schilder de werkelijkheid ‘boetseerde’ en telegraafpalen en spoorlijnen wegliet. Het verschil wordt gemarkeerd door Toorop, die in 1909 schreef dat het uit moest zijn met ‘de binnenhuisjes, de kippetjes en de melkemmertjes’: ‘Naar hoogere psychische expressie moeten wij streven, de vergeestelijking in gezonde en sterke vormen.’ De observatie van het landschap had je daar strikt genomen niet meer voor nodig - een gemberpot volstond - maar mannen als Mondriaan en Sluijters bleven in hun ‘vergeestelijking’ bij de ‘erkenning van de natuurlijke vorm’, de molens, hooibergen, stolpboerderijen of de stompe toren van Domburg. De kippetjes en koetjes stierven daarmee niet uit. Voerman, bijvoorbeeld, bleef stug werken uit ‘de bewondering voor de schepping van wat ze dan God noemen’. Net als Bavink. Maar die werd er uiteindelijk mal van.

Zo Hollands: Ons landschap in de kunst sinds 1850. De Hallen Haarlem, Zomerserie, t/m 11 september 2011. www.dehallen.nl