Als jonge bewonderaar van Ter Braak heb ik mij hierover vroeger nooit geërgerd omdat ik, als zo velen, zijn romans niet las.
Wat aan negatiefs over ‘de joden’ geciteerd wordt uit Antisemitisme en jodendom (van 1939) verbaast me enigszins, aangezien dit een hoogst ‘fatsoenlijk’ boek was. De overduidelijke bedoeling ervan was om naar vermogen af te rekenen met alle antisemitische simplificaties en vooroordelen. Waarbij men niettemin toch op zoek ging naar zoiets als ‘de Joodsche geest’, in verschillende combinaties. Ter Braak zelf nam ‘De Joodsche geest en de literatuur’ voor zijn rekening, met als slotwoord dat hij eventueel ‘het praedicaat “philo-semiet” als een eeretitel wenscht te dragen’. Rotterdam, E.M. JANSSEN PERIO