Interview Leon Hanssen

«Ter Braak had een faustische gespletenheid»

Voor biograaf Léon Hanssen was Menno ter Braak geen held. Hij kon dus ook niet van zijn voetstuk vallen wegens werkelijke of vermeende ondemocratische ideeën. In het eerste deel concentreert Hanssen zich op Ter Braaks puberteit.

In maart van dit jaar verscheen een boek dat nogal wat mensen schokte voor wie Menno ter Braak gold als het toonbeeld van de ware intellectueel. Het was de postuum verschenen, onvoltooide studie Een kern van waarheid, van H.A. Gomperts, waaruit Ter Braak naar voren komt als een «hartgrondig antisemiet». De man die als geen ander de bekrompen ideeën en valse pretenties van het burgerdom had ontmaskerd, die alle dogma’s ter discussies had gesteld, die stelling had genomen tegen het nationaal-socialisme en vóór de vrijheid van meningsuiting — die man zou niet alleen behept zijn geweest met in die tijd courante vooroordelen, maar hij zou in zijn diepste wezen een racist zijn geweest. Voor mensen die hem op de middelbare school of tijdens hun studie hadden leren kennen als de Nederlandse intellectueel, viel Ter Braak met enig geraas van zijn voetstuk.

Voor Léon Hanssen, van wie op 30 oktober het eerste deel van diens Ter Braak-biografie verschijnt, gold dit echter niet. Hanssen: «Hij kon voor mij niet van zijn voetstuk vallen, omdat hij er nooit op heeft gestaan. Ter Braak is nooit een held van mij geweest, en hij is het nog steeds niet. Dat hele idee van ‹helden› heb ik trouwens met niets en niemand. Ik had op de middelbare school wel iets van Ter Braak gelezen, maar een ‹schok der herkenning› (titel van een bundel van Gomperts uit 1959 — rh) was dat bepaald niet. Dat had ik meer bij de boeken van enkele tijdgenoten van Ter Braak, zoals Thomas Mann en Sartre.»

Aanvankelijk hield Hanssen, die tegenwoordig literatuurwetenschap doceert in Tilburg, zich als historicus vooral bezig met het werk van Johan Huizinga, een achterneef van Ter Braak. Samen met Wessel Krul en Anton van der Lem redigeerde hij de Briefwisseling van Huizinga, die tussen 1989 en 1991 in drie dikke delen verscheen. In 1996 promoveerde hij op Huizinga en de troost van de geschiedenis, een duizelingwekkende studie over de «betekeniscrisis» die de Europese cultuur in de eerste helft van de twintigste eeuw teisterde, en waarvan Huizinga een exponent was. Huizinga was al evenmin een held van Hanssen, maar voor iemand die in de jaren zeventig geschiedenis studeerde, en weinig op had met de toen in de mode zijnde structuralistische wijze van geschiedschrijving, met die eindeloze reeksen tabellen en grafieken, had het werk van de ooit zo beroemde historicus een bijzondere aantrekkingskracht.

Hanssen interesseert zich sterk voor het «romaneske karakter» van geschiedschrijving, voor de rol die de verbeeldingskracht speelt bij het bestuderen van het verleden. Vandaar ook dat het werk van Thomas Mann hem altijd zo geboeid heeft. In 1985 schreef hij een artikel over Thomas Mann in Neder land, en kwam daarbij in contact met de weduwe van Ter Braak. Hanssen: «Zij vertelde me dat ze vaak bezoek had gekregen van mensen die voornemens waren de biografie van Ter Braak te schrijven. Die gaf ze altijd een deeltje Nietzsche mee, met de woorden: ‹Lees dit eerst maar eens.› Ze zag nooit iemand terug. Ik dacht toen: dat heb ik toch wel achter de rug, aangezien ik Nietzsche al vrij intensief bestudeerd heb. Nietzsche is echt een waanzinnige openbaring voor mij geweest. Alleen al door zijn werk was ik erop voorbereid om geen helden meer te vereren. Ter Braak geeft trouwens in zijn werk ook voortdurend die signalen af: plaats mij niet op een voetstuk want daar doe je jezelf mee te kort, het zijn slechts schijngestalten die ik aanneem.»

Via Thomas Mann en Huizinga kwam Hanssen dus terecht bij Ter Braak, die hem ook meer aanspreekt dan de twee statige heren die een generatie ouder waren. Hanssen: «De problematiek van Ter Braak heb ik vooral leren kennen door het werk van Sartre. Vooral Walging bezorgde mij die ‹schok der herkenning› die ik bij de andere auteurs niet had gehad. Bij Sartre zie je dat een enorme luciditeit kan samengaan met noties van crisis en angst. Die combinatie vind ik zeer interessant. De ervaring van afkeer en ontluistering roept bij Sartre een grote geestelijke helderheid op, en dat vind je ook bij Ter Braak. Ook zie je bij Ter Braak de grote rol die de verbeeldingskracht speelt. Alleen met de ratio kom je er niet, volgens hem. Je moet je verbeelding gebruiken. Dit is nog steeds een heel actuele opvatting, die ook in het postmodernisme een belangrijke plaats inneemt. Volgens Lyotard is de werkelijkheid alleen mogelijk door de verbeelding. Op die manier kunnen we afweermechanismen en overlevingsstrategieën ontwikkelen die noodzakelijk zijn om met de werkelijkheid om te kunnen gaan.»

Hanssen behoort niet tot de biografen die zich opwerpen als de boekhouders van hun onderwerp, de dorre chroniqueurs die alle feiten en feitjes aan elkaar breien tot een slaapverwekkend verslag en die doodsbang zijn om te interpreteren of conclusies te trekken. Opvallend in dit eerste deel, getiteld Want alle verlies is winst en dat de eerste 28 jaren van Ter Braaks leven beschrijft, is het gebruik van verschillende psychologische theorieën. Uitgebreid behandelt Hanssen de betekenis van de puberteit voor Ter Braaks hele leven, waarbij hij tot de conclusie komt dat men het grootste deel van diens schrijverschap zou kunnen kenmerken als een uitgestelde of verlate puberteit. Hanssen is niet bang voor het verwijt van «amateurspsychologie»: «Dat lijkt mij grote onzin. Je kunt niet over Ter Braak schrijven zonder uitgebreid in te gaan op die puberteit. Het is nota bene zijn eigen thematiek. Telkens weer schreef hij erover, verheerlijkte hij die periode, waarin er bij hem ook ongelooflijk veel gebeurde. Hij draagt het dus zelf aan, en dan moet je er toch iets mee doen. Bovendien is er vrij veel theorievorming over de puberteit en is het heel legitiem om literaire teksten op een psychoanalytische manier te benaderen. Het werk van historici als Peter Gay en Arthur Mitzman, bij wie ik in Amsterdam college heb gelopen, laat toch duidelijk zien hoe verrijkend de psychologie kan zijn voor een historisch werk. Je moet natuurlijk wel de wetenschappelijke literatuur op dat terrein bestuderen, en je er niet vanaf maken met wat huis-, tuin- en keuken-psychologie.»

Ter Braak mocht dan als historicus in 1928 cum laude gepromoveerd zijn, al spoedig liet hij zich vrij denigrerend uit over de wetenschap. Een wetenschapper was iemand die op zoek was naar oplossingen, terwijl Ter Braak de raadsels en paradoxen veel spannender vond. Dat lijkt een hachelijk uitgangspunt voor wie een wetenschappelijke biografie van Ter Braak wil schrijven. Léon Hanssen ziet dat anders: «Ach ja, Ter Braak heeft wel de naam een fel bestrijder van de wetenschap te zijn, maar je moet dat met een korreltje zout nemen. Hij had zijn leven lang een groot respect voor wetenschappers en hun werk, en die dissertatie van hem was echt een stuk vakwerk. Wat voor hem wel een belangrijk thema was, dat was de legitimiteit van de wetenschap. Telkens weer hamert hij erop dat je niet moet denken dat je helemaal objectief tegenover je onderwerp staat. Je moet duidelijk bepalen waar je zelf staat en je moet je ervan bewust zijn dat jouw uitspraken gerelateerd zijn aan de tijd waarin je ze doet.

Wie zich dit realiseert hoeft ook niet te twijfelen aan het wetenschappelijke karakter van de biografie. Het is tegenwoordig een aparte discipline geworden; het is een zeer specifieke vorm van cultuurwetenschap, waarin op interdisciplinaire wijze gebruik wordt gemaakt van alle denkbare alfawetenschappen. De biograaf ontleent zijn instrumentarium aan de literatuurwetenschap, geschiedenis, sociologie, politicologie, psychologie en ga zo maar door. En van daaruit maakt hij de vertaalslag naar een biografische vorm van schrijven. Dat doet hij door hypotheses op te stellen en die te toetsen met behulp van het biografisch materiaal. Als Ter Braak dus herhaaldelijk uitspraken doet over de puberteit, moet een biograaf zo slim zijn om tot de hypothese te komen dat de puberteit voor Ter Braak een zeer belangrijke fase is geweest. Dan ga je dat dus toetsen met alles wat je in het werk, egodocumenten en opmerkingen van anderen hebt gevonden. De biograaf creëert een coherent beeld, en hoe meer invalshoeken hij hanteert, hoe meer ‹argumentatief vuur› hij op zijn onderwerp loslaat, des te overtuigender is dat beeld.»

Te midden van de enorme hoeveelheid zinnen die Ter Braak in zijn korte leven geschreven heeft, is er volgens Hanssen één aan te wijzen waaraan al zijn gedachten refereren, en die tevens zijn leven plaatst in de diepgrijpende problematiek van de moderne cultuur. Het is een regeltje op een briefkaart aan zijn vriend Dirk Binnendijk, uit 1923: «Je ziet, ook ik heb het contact met het algemeen geldende, het absolute, verloren.» Ter Braak de nihilist, de polemist — hier heeft hij zijn positie aangeduid. Wat Ter Braak vreesde was verstarring, de dorre zelfgenoegzaamheid van mensen die menen de waarheid ontdekt te hebben. Van het maken van vergissingen ging vaak een grotere bevrijdende werking uit dan van gelijk hebben. Daarom heet dit eerste deel ook Want alle verlies is winst, een opmerking die Ter Braak opschreef bij het overlijden van Carry van Bruggen. Hanssen sluit het boek af met de opmerking dat het Ter Braaks ideaal was «te leven als een heldere vlam die snel ondergaat in lichte as». Als dit klopt — en Hanssens boek lijkt zeer overtuigend —, dan zat W.F. Hermans er waarschijnlijk niet zo ver naast toen hij beweerde dat het Ter Braak in mei 1940 eigenlijk goed uitkwam om zelfmoord te plegen, omdat hij «uitgeschreven» zou zijn.

Volgens Hanssen heeft Hermans Ter Braak in veel opzichten beter begrepen dan de meeste terbrakianen: «Hermans had duidelijk affiniteit met Ter Braak, de term ‹scheppend nihilisme› is in dat opzicht veelbetekenend. Hij heeft de geest van Ter Braak veel verder gevoerd dan iemand als Gomperts. Maar of hij gelijk heeft met dat ‹uitgeschreven› zijn? Dat lijkt me wel erg simpel. Dat verlies/winst-thema is bij Ter Braak veel meer dan een metafoor, het is een vorm van negatieve dialectiek die teruggaat tot voorbij de bijbel. Het is een paradigma dat na de Eerste Wereldoorlog veel gehanteerd werd, onder meer door Heidegger, Ernst Jünger en Sartre. Voor Ter Braak was het een idee om zijn leven te ordenen. Het was zijn vertrekpunt als polemist. Maar er zijn duidelijk aanwijzingen dat Ter Braak in de jaren dertig zijn rol als polemist wilde overdragen. Hij was altijd bezig met de vraag: wat doet een mens op zijn twintigste, en op zijn dertigste, enzovoort. Op je twintigste hoorde je volgens hem een razende polemist te zijn. En bij Nietzsche had hij gelezen dat iemand van dertig in cultureel opzicht nog een dilettant is. In de loop van de jaren dertig heeft Ter Braak dat nihilisme verlaten, hij kreeg een meer realistische kijk op de werkelijkheid en zocht naar een meer positieve houding. Zijn stellingname tegen het nationaal-socialisme en zijn positievere waardering van de democratie zijn daar voorbeelden van. Hij had inmiddels nogal wat navolgers gekregen, oefende nogal wat invloed uit. Denk maar aan mensen als Gomperts, Max Nord, Vasalis, Jacques de Kadt, en een jonge economiestudent als Joop den Uyl. Die moesten de fakkel maar overnemen.»

Maar een van die leerlingen, Gomperts, heeft over twee graven heen wel vadermoord gepleegd en getracht de fakkel te doven. Hanssen: «Tja, dat boekje van Gomperts. Als het in de jaren dertig was verschenen, was het een belangrijk geschrift geweest. Dan had het echt een rol kunnen spelen. Maar nu is het mosterd na de maaltijd. Nieuwe feiten staan er niet in, en in wezen is het een heel duister, nihilistisch boek, waaruit een grote afkeer van de westerse cultuur spreekt. Volgens Gomperts zijn alle mensen homoseksueel, en zij die dat niet durven te erkennen ontwikkelen een gespleten persoonlijkheid, die hen weer naar het antisemitisme leidt. Waar haal je het vandaan? Zo lust ik er nog wel een paar. Kijk, archetypische modellen kunnen best nuttig zijn om bepaalde tendenties in een cultuur te begrijpen, ze kunnen als denkmodel functioneren. Maar ze zijn veel te grof om er één persoon mee te analyseren. Om een biografie helemaal op te hangen aan iemands gespletenheid, zoals Fontijn heeft gedaan bij Frederik van Eeden, dat vind ik wel erg gemakkelijk. Voor Ter Braak was de faustische gespletenheid, het gevoel twee zielen te hebben, een wezenlijk deel van zijn zelfbeeld. Maar hij was wel iemand die voortdurend bezig was zichzelf te corrigeren. Hij wist dat hij zich, in dat gewraakte essay over ‹de joodse geest in de literatuur› op glad ijs bewoog, maar hij ging dat soort dingen niet uit de weg.»

Hanssen moffelt in zijn biografie niets onder het tapijt, en hij citeert dan ook verschillende xenofobische uitspraken van Ter Braak. In dat opzicht was Ter Braak niet vrij van een aantal vooroordelen die onder de burgerij gemeengoed waren. Nu is Ter Braak wel vaker een zekere bekrompenheid verweten, bijvoorbeeld door auteurs die erop wezen dat hij op het gebied van de cultuur veel over het hoofd zou hebben gezien. Hij zou onvoldoende oog voor niet-Duitse literatuur hebben gehad, op het gebied van beeldende kunst behoorlijk conservatief zijn geweest, geen antenne voor de avant-garde hebben gehad, en ga zo maar door. Hanssen vindt dit flauwekul. «Wat hebben die mensen zelf allemaal wel niet gelezen dat ze Ter Braak op zijn ‹leemtes› kunnen aanvallen? Hij heeft echt over waanzinnig veel aspecten van de cultuur geschreven, over jazz, beeldende kunst, dans, en niet te vergeten de film. Het is ook wel typisch Nederlands om Ter Braak te verwijten dat hij niet modernistisch genoeg zou zijn geweest. Wij moeten altijd voor de fanfare uit lopen, de rol van gidsland vervullen. In Ter Braaks roman Hampton Court vind je existentialistische noties die te vergelijken zijn met die van Sartre. Op de grote Bijenkorf-tentoonstelling te Rotterdam in 1931 ging hij volkomen uit zijn dak van een aquarel van George Grosz, en hij rustte niet eer hij die gekocht had. Als huwelijkscadeau kreeg hij van Du Perron een abstracte collage van Willink. Hij ging in Dessau bij Bauhaus kijken en speelde zelf boogie-woogie. Die man stond midden in de wereld. Bovendien moet je hem in zijn Nederlandse context zien. Het intellectuele en culturele leven hier was wel even iets anders dan in Parijs. Het is zo onhistorisch om de geschiedenis niet te bekijken zoals ze geweest is, maar zoals ze had moeten zijn. Dat is een idioot perspectief.»

Léon Hanssen, Want alle verlies is winst: Menno ter Braak 1902-1940. Deel 1: 1902-1930, Uitg. Balans, 556 blz., ƒ85,-