Mohammed Harbi, Benjamin Stora, La guerre d’Algérie

Ter herinnering aan Frankrijk-Algerije

Een halve eeuw nadat de Algerijnse onafhankelijk-heidsoorlog (1954-1962) losbarstte is de aandacht ervoor in Frankrijk groot. Steeds vaker klinkt de roep om een juridische afrekening met dit bloedige verleden.

Zwaar, traag en traumatisch. Zo kan de ontmanteling van het Franse koloniale rijk in de tweede helft van de twintigste eeuw het treffendst worden gekarakteriseerd. De zwartste pagina uit deze geschiedenis is ongetwijfeld de Algerijnse dekolonisatie. Dit jaar is het een halve eeuw geleden dat de leiding van het Front National de Libération, het FLN, besloot tot een opstand tegen de Franse overheersers. Wat begon als een revolte om zelfbeschikkingsrecht voor het Algerijnse volk groeide allengs uit tot een oorlog die zich acht jaar lang, van 1954 tot 1962, zou voortslepen. Honderdduizenden, meest Algerijnen, verloren het leven. Meer dan één miljoen personen, veelal Franse staatsburgers, ontvluchtten na de onafhankelijkheid huis en haard om zich te vestigen in het hun onbekende land aan gene zijde van de Méditerranée.

De Algerije-oorlog was een opeenstapeling van persoonlijke drama’s en politieke crises die zowel in de Franse als in de Algerijnse samenleving diepe sporen trok. De Vierde Republiek ging in 1958 roemloos ten onder aan het conflict. Een oude generaal, Charles De Gaulle, morele redder des vaderlands in 1940, moest eraan te pas komen om de patrie voor een burgeroorlog te behoeden. Op haar beurt verzandde de jonge Algerijnse democratie na de onafhankelijkheid in interne conflicten. Achter de schermen grepen militairen de macht en de Arabisch-nationalistische regimes drukten iedere vorm van democratie en pluriformiteit de kop in. In deze gefnuikte democratisering liggen de kiemen besloten van de dramatische burgeroorlog van de jaren negentig, niet zonder reden ook wel de Tweede Algerijnse Oorlog genoemd.

Deze geschiedenissen, de dekolonisatie en haar nasleep, zullen de komende maanden volop onder de aandacht komen. Het zojuist verschenen La guerre d’Algérie 1954-2004: La fin de l’amnésie preludeert daarop. Dit dikke overzichtswerk, dat een dertigtal artikelen van specialisten bundelt, is een poging bestaande stereotypen, mythes en opinies te evalueren. Verrassend hierbij is de tweezijdige invalshoek, Frans en Algerijns, een benadering die verpersoonlijkt wordt door de samenstellers Benjamin Stora en Mohammed Harbi, beiden eminente kenners inzake de dekolonisatie en beiden getekend door die geschiedenis. Stora behoort tot een joods-Algerijnse familie en werd beschouwd als Frans staatsburger. In 1962 zag hij zich gedwongen zijn geboorteplaats Constantine te ontvluchten. Harbi daarentegen is een gewezen kaderlid van de onafhankelijkheidsbeweging FLN. Net als Stora kwam ook hij uiteindelijk in Frankrijk terecht, nadat hij in Algerije dreigde te worden vermalen tussen politieke vetes.

Voor alles onderstrepen deze auteurs, en in hun kielzog een nieuwe generatie jonge spe cialisten die de oorlog zelf niet heeft meegemaakt, de complexiteit van het dekolonisatiedrama. De oorlog was nooit een Frans-Algerijnse strijd alleen, maar weerspiegelde tegelijkertijd interne conflicten in beide landen en kende vele grijstinten. De scheidslijn tussen goed en fout, dader en slachtoffer, lag niet altijd voor de hand, aan Franse noch Algerijnse zijde. Verschillende van de gepresenteerde feiten en inzichten waren al bekend uit verspreide onderzoeken en individuele overzichtswerken die zijn gepubliceerd vanaf de jaren tachtig, toen historici zich intensiever met dit thema gingen bezighouden. De winst van deze bundel ligt in de samenstelling en benadering van het onderwerp. Het conflict wordt geplaatst in de longue durée van Frans-Algerijnse betrekkingen vanaf 1830, toen Noord-Afrika werd gekoloniseerd. Verfrissend is tevens dat niet alleen politieke maar ook sociaal-culturele aspecten aan bod komen, onder meer de representatie van de oorlog in de beeldende kunst en literatuur.

Ruim baan is er ook voor het lot van diverse sociale groeperingen, niet alleen de Algerijnse vrijheidsstrijders of Franse Algerijnen (pieds noirs), maar ook joden, harki’s (inheemse hulptroepen van het Franse leger) en de verdedigers van Frans Algerije, de Organisation Armée Secrète (OAS). De geschiedenis van de harki’s is tot op zekere hoogte te vergelijken met die van de Knil-militairen in Nederlands-Indië. Waren deze Algerijnen die streden aan de zijde van de Fransen daders, slachtoffers, of beide?

In zijn artikel staat Mohand Hamoumou stil bij hun geschiedenis, hun motieven en hun lot vanaf de onafhankelijkheid. Velen van degenen die in 1962 in Algerije achterbleven, werden vervolgd of vermoord. Het precieze aantal slachtoffers is onbekend, de bronnen spreken elkaar tegen en cijfers variëren tussen tienduizend en 150.000. Slechts een minderheid van de harki’s en hun families werd, tegen heug en meug, «gerepatrieerd». Aanvankelijk kwamen enkele tienduizenden in opvangkampen terecht, zoals Saint-Maurice-l’Ardoise in de buurt van Avignon. Een kamp met een verleden, net zoals Vught bij Den Bosch, waar Nederland tal van Molukse families stalde. Eind jaren dertig diende Saint-Maurice als tijdelijk onderkomen van uitgeweken Spaanse republikeinen die tegen Franco hadden gevochten. Later werden zij opgevolgd door gevangengenomen Duitse militairen en tijdens de onafhankelijkheidsstrijd zaten er FLN-strijders geïnterneerd. Na de kampen volgde een moeizame integratie in de Franse samenleving, een kwestie die tot op vandaag niet bevredigend is opgelost. Hoe uiterst gevoelig deze geschiedenis ligt, zowel in Frankrijk als in Algerije, blijkt uit het voorwoord. De samenstellers nemen expliciet afstand van Hamoumou’s tekst, omdat deze is gebaseerd op een ontkenning van «le fait national Algérien», oftewel van de huidige Algerijnse staat.

Evenals de harki’s viel ook de joden een absurde speling van deze geschiedenis ten deel. Eeuwen voordat Arabieren en Ottomanen Noord-Afrika veroverden waren zij er al neergestreken. In cultureel opzicht waren ze volledig geassimileerd, totdat ze in 1870 door de nieuwe kolonisator per decreet tot Frans staatsburger werden benoemd. Daarmee kwam deze groep tussen Arabieren, waarmee ze in grote meerderheid ook de sociaal- economische positie deelden, en kolonisten, waarmee ze juridisch gelijk waren gesteld, te staan. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ontnam het collaborerende Frankrijk van Vichy hun de burgerrechten, en werden ze door de pieds noirs gediscrimineerd — het tragische lot van de Europese joden bleef hun evenwel bespaard. Het uitbreken van de Algerijnse opstand in 1954 plaatste deze gemeenschap, die ruim honderdduizend zielen telde, voor een dilemma: waren ze voor de Algerijnse nationalisten of voor de Franse Republiek?

Zolang de omstandigheden het toelieten, koos het overgrote deel van de gemeenschap voor een neutrale koers. Slechts enkelen schaarden zich onder de vlag van het FLN. Toen de joden tegen het einde van de oorlog in een orgie van geweld tussen nationalisten en kolonisten terecht dreigden te komen, schaarden velen zich aan de kant van de OAS, de strijders voor een Frans Algerije. In de OAS ontmoetten ze degenen die hen tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden vervolgd. Bij de onafhankelijkheid bevonden de Algerijnse joden zich in een onmogelijke positie en er restte hun weinig andere mogelijkheden dan het land waar ze tweeduizend jaar hadden gewoond, te verlaten.

La guerre d’Algérie 1954-2004 is een veelzijdig overzichtswerk dat geen definitieve antwoorden geeft maar juist aanleiding tot vragen en debat. Zo luidt de ondertitel, vrij naar het Nederlands vertaald, «einde aan het geheugenverlies». Maar is de Algerijnse Oorlog ooit uit het Franse collectieve geheugen afwezig geweest? Verschillende auteurs zijn het op dit punt niet met elkaar eens.

Neem een omstreden kwestie als die van de martelingen. Van staatswege is over deze zaak lang gezwegen. In 1962 werd een generaal pardon afgekondigd voor het leger en tot een intern onderzoek naar misstanden is het nooit gekomen. Maar vanaf de jaren negentig geeft de Franse politiek ook signalen af die duiden op een groeiende openheid en acceptatie. In 1999 nam de Assemblée Nationale unaniem een wetsvoorstel aan, waarmee voortaan van staatswege van «de Algerijnse Oorlog» sprake was. Tot dan toe werd in het officiële discours eufemistisch gesproken over «les événements d’Algérie» of «opérations de maintien de l’ordre». Zie de manier waarop in Nederland nog altijd sprake is van «poli tionele acties» inzake de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog.

Van staatswege was het donkere verleden lange tijd niet bespreekbaar, maar om vervolgens te concluderen dat Algerije als zodanig in het Franse collectieve geheugen getaboeïseerd is, voert te ver. Al ten tijde van de oorlog werd de kwestie van geweldpleging aan de kaak gesteld. Linkse en rechtse intellectuelen, van Jean-Paul Sartre tot François Mauriac, schreven vlammende protesten. Terugkerende dienstplichtigen getuigden van hun ervaringen, slachtoffers zochten de publiciteit, met als bekendste werk La Question (1958) van de Algerijnse journalist Henri Alleg. Sinds de onafhankelijkheid werd regelmatig over deze kwestie gepubliceerd. Naar aanleiding van journalistieke beschouwingen of mémoires van generaals en pieds noirs laaiden de emoties telkenmale hoog op. En sinds de (militaire) archieven zijn opengesteld, beschikken we ook over dieper gravende historische analyses van achtergronden en systematiek van deze praktijken. Zo plaatst historica Raphaëlle Branche in haar bijdrage de martelingen in een lange traditie van koloniale excessen, openlijk beleden racisme en sociaal-economische onderdrukking van de oorspronkelijke bevolking en toont ze hoe wijdverbreid dergelijke praktijken waren, in het leger, maar ook bij de politie en gendarmerie, in Algerije en in Frankrijk.

Kortom, het is maar de vraag of Frankrijk een halve eeuw lang aan een collectieve vorm van amnesie heeft geleden. Zeker is dat de aandacht voor de Algerijnse Oorlog en haar implicaties de afgelopen jaren sterk is toegenomen, en dat die lijn de komende tijd zal worden voortgezet. De generaties die de oorlog hebben meegemaakt zullen er in toenemende mate over willen getuigen. Het voortdurende gegraaf van historici en het media gevoelige herdenkingscircus, dat de huidige maatschappij meer dan ooit aan dat stekelige verleden bindt, doen de rest.

Ook krijgt de Algerijnse Oorlog een duidelijke, zichtbare plek in de openbare ruimte. Op 17 oktober 2001 onthulde de burgemees ter van Parijs, Bertrand Delanoë, een herdenkingsplaat ter nagedachtenis aan de Algerijnse slachtoffers van 17 oktober 1961. Op deze datum werd een demonstratie van Algerijnse immigranten door de Parijse politie bloedig onderdrukt, de cijfers variëren van drie (het officiële aantal) tot driehonderd doden. Het is een van die pijnpunten in de Frans-Algerijnse oorlog waar de auteurs in hun bijdragen dieper op in hadden mogen gaan. In herdenkingsjaar 2002 onthulde president Chirac, die zelf nog als onderofficier diende in Algerije, aan de voet van de Eiffeltoren een monument ter nagedachtenis aan de ruim 23.000 gesneuvelde Franse militairen en hun hulptroepen in Noord-Afrika in de periode 1952-1962, voluit Mémorial National de la Guerre d’Algérie et des Combats du Maroc et de la Tunisie genaamd. Wederom ter vergelijking: reeds in 1988 onthulde Nederland te Roermond een nationaal Indië-monument, om de gesneuvelde militairen te herdenken.

Ten slotte: Frankrijk en Algerije zijn op het niveau van de officiële betrekkingen de laatste jaren met elkaar in het reine gekomen. Vorig jaar maart ging Chirac op staatsbezoek in Algerije, waarmee hij de eerste Franse president was die een bezoek bracht aan Algerije sinds de onafhankelijkheid in 1962, al zal de cynicus deze verzoening eerder plaatsen in het licht van de actuele strijd tegen het terrorisme dan in het kader van een groeiend historisch besef.

Parallel aan deze ontwikkelingen is het niet ondenkbaar dat de Algerijnse Oorlog de komende jaren de juridische weg zal bewandelen. Tijdens de processen inzake de Tweede Wereldoorlog, onder meer tegen de Duitse oorlogsmisdadiger Klaus Barbie en de Franse hoge ambtenaar van het collaborerende Vichy-regime Maurice Papon, werd ook verwezen naar de misdaden die Frankrijk in Algerije had gepleegd: Papon was préfet van Parijs ten tijde van het bloedbad in oktober 1961. De wijze waarop «ordehandhaving» in de periode 1954-1962 werd beschouwd is aan het veranderen, ook onder invloed van de internationale wetgeving en de ontwikkelingen rond het Internationaal Gerechtshof in Den Haag. Dit sterkt degenen die pleiten voor een juridische uiteenzetting inzake de Algerijnse Oorlog. Vooralsnog heeft Chirac er in zijn verklaringen op gewezen enkel voorstander te zijn van «le travail des histo riens». Voor gerechtelijke onderzoeken heeft hij zich nogal allergisch getoond. Hoewel de Franse staat de morele verantwoordelijkheid voor de Algerije-oorlog niet uit de weg is gegaan, weigert ze tot op heden een dergelijk juridisch zelfonderzoek. De vraag is misschien niet zozeer of het inzake Algerije ooit tot een dergelijke opening van zaken komt, maar veeleer: wanneer.

Mohammed Harbi, Benjamin Stora (red.)

La guerre d’Algérie 1954-2004: La fin de l’amnésie

Robert Laffont, 728 blz., € 26,-