Ter hoogte van Bloedzuigerveld ontploft ze

Detlev van Heest, De verzopen katten en de Hollander. € 25,00

Medium van heest verzopen katten

Het liefst had Detlev van Heest waarschijnlijk gehad, of anders zijn uitgeverij wel, dat deze recensie was begonnen met de woorden: ‘J.J. Voskuil is niet dood, hij leeft, in de gedaante van Detlev van Heest.’
Bijna was het zo ver gekomen, bijna had ik het zo opgeschreven, want toen ik Van Heests debuutroman De verzopen katten en de Hollander las, drong de vergelijking zich steeds meer op. Moeiteloos schrijft Van Heest je een wereld in waar helemaal niets boeiends lijkt te gebeuren, maar waar je toch steeds smakelijk om moet lachen, om het ingehouden sarcasme en de goedbedoelde onhandigheid - geheel in stijltraditie van de Het Bureau-serie van J.J. Voskuil. Maar dan zoek je eens wat en dan lees je dat Van Heest niet alleen Voskuil persoonlijk kende, maar dat Voskuil hem coachte bij het schrijven en dat Van Heest zelfs aanwezig was bij Voskuils overlijden in 2008. Dan valt je op dat het boek is opgedragen aan Voskuil ('Voor Han’ staat er, zijn roepnaam), dat er dezelfde archaïsche spelling gehanteerd wordt: 'october’, 'portemonnaie’. Dan google je en vind je een stuk in literair tijdschrift Tirade, uit een speciaal Voskuil-nummer net na zijn dood, waarin Van Heest een huiselijke scène van Voskuil en zijn vrouw oprakelt, op precies dezelfde toon als waarin je net zeshonderdsomething bladzijden aan huiselijke scènes hebt gelezen, en dan kun je een gevoel van teleurstelling toch niet onderdrukken: het neigt gewoonweg naar stijlplagiaat. Of in ieder geval: dit is een schrijver die niet zichzelf wil zijn, maar iemand anders.
Terug naar het boek, want die kennis achteraf kan te makkelijk de herinnering aan de lezing verstoren. In De verzopen katten en de Hollander volgen we zes jaar lang, van 1999 tot 2005, het leven van ene Detlev van Heest en zijn vrouw Annelotte, die wonen in het buurtschap Nieuwloofwijk in Tokio. Annelotte maakt lange dagen en Van Heest zit thuis. Hij schrijft wat stukjes voor Nederlandse kranten, maar is het leeuwendeel van zijn tijd kwijt aan zijn contacten met de oudere buren. Meteen in het eerste hoofdstuk waagt Van Heest zich aan een kunststukje: hij herhaalt de eerste honderd bladzijden schijnbaar eindeloos dezelfde situatie. 'Heesto-san’ wordt op straat aangesproken door de oudere mevrouw Suzuki, ze nodigt hem uit thee te drinken, ze drinken thee, ze praten nergens bijzonders over en Van Heest gaat weer naar huis. Je moet er even aan wennen, maar als dat lukt beginnen je de kleine verschillen op te vallen en merk je dat het geheugen van mevrouw Suzuki alleen maar achteruit gaat, totdat ze uiteindelijk een hersenbloeding krijgt en Van Heest is uitgegroeid tot de aangewezen persoon om haar naar het ziekenhuis te brengen. Het is heel geriatrisch allemaal, de omwonenden hebben kwaaltjes, gaan achteruit, en gaan zelfs dood. Van Heests Nieuwloofwijk is opvallend niet-exotisch, vooral ook omdat hij waar mogelijk de Nederlandse vertaling van namen geeft (meneer Booreiland, mevrouw Derdedochter), en opvallend niet-modern. Er worden bomen omgehakt, mensen spelen met hun huisdieren.
Van Heest vertelt de muizenissen in chronologische volgorde, in een heel lucide korte stijl, met dikke ironie. Maar de literaire truc van dit boek is dat Van Heest elk hoofdstuk een andere buurtbewoner centraal stelt en elke keer opnieuw begint in de tijd, in 1999. Die truc werkt bijzonder goed, omdat zich heel langzaam een tweede verhaal openbaart aan de lezer, het verhaal van Detlev en Annelotte. Na vijftig bladzijden schrijft Van Heest ineens: 'Trouw besloot dat er met mij niet meer viel te werken.’ Vervolgens gaat het verhaal over mevrouw Suzuki verder, leren we niets wezenlijks over Annelotte en Detlev, en tig bladzijden later komt dan de volgende snipper persoonlijke informatie. Ik begrijp jou niet, klinkt het vaak, uit beide monden. Je gaat je dingen afvragen - waarom ze geen kinderen hebben, bijvoorbeeld - en de herhaling van de chronologie creëert in alle wissewasjes een heel slimme spanningsboog, die nog eens gevoed wordt door Van Heest, die absoluut op zijn best is als hij de echtelijke ruzies beschrijft. Ze ontstaan uit het niets en komen uit hun tenen:
’“Ik wil dat je je haar laat knippen!”
“Ik pieker er niet over.” We liepen onze heuvel af.
Ter hoogte van Bloedzuigerveld ontplofte ze. “Dan laat ik mijn haar verven! Ik heb genoeg van die ellendige grijze haren! Het kan me niet schelen dat jij me dat verbiedt!”
“Je doet maar. Ik bemoei me niet met jouw haar.”
“Jij je niet bemoeien met mijn haar?! Ik mag het niet verven van jou!”’
Aan het einde van het boek, in 2005, emigreren Detlev en Annelotte naar Nieuw-Zeeland. De achterflap meldt dat De verzopen katten en de Hollander het eerste deel is van een tweeluik, de belevenissen in Nieuw-Zeeland zullen verteld worden in Pleun, dat dit najaar verschijnt.
Het is moeilijk in te schatten waar J.J. Voskuil ophoudt en Detlev van Heest begint, maar Van Heest lijkt me minder burgerlijk en meer sardonisch, en De verzopen katten en de Hollander is gewoonweg te leuk en zit te goed in elkaar om een kopieerkunstje te zijn. Ik kijk uit naar Pleun.

Detlev van Heest
De verzopen katten en de Hollander
Van Oorschot, 607 blz., € 29,90