Non-fictieboeken: de conservatieven

Ter verdediging van de orde

Hoewel «conservatief» een populaire geuzennaam is geworden, bestaat in Nederland geen levende conservatieve traditie. Die moet vooral in het buitenland worden gezocht. Dat wil uiteraard niet zeggen dat er geen klassieke Nederlandse teksten bestaan die doordrenkt zijn van het conservatieve denken.

Twee jaar geleden kwam een aantal Nederlandse conservatieven «uit de kast» en begon een campagne tegen het normvervagende en materialistische neoliberalisme van «Paars». De oprichting van de expliciet conservatieve Edmund Burke Stichting was opmerkelijk, omdat het in Nederland lange tijd zelfs onder uiterst behoudende mensen bon ton was geweest om zichzelf als «progressief» te afficheren. De katholieke voorman Nolens had reeds in 1918 gesteld dat men in ons land «nog liever wordt beschuldigd van brandstichting dan te zijn conservatief».

In twee jaar tijd is er veel veranderd. Uit de meest onwaarschijnlijke hoeken klinkt inmiddels de roep om herstel van «normen en waarden». «Paars» en de «linkse intellectuelen», die zonder uitzondering binnen de Amsterdamse grachtengordel lijken te wonen, zouden verantwoordelijk zijn voor de blijkbaar spectaculair toegenomen onveiligheid, drugsgebruik, porno op tv, kut-Marokkanen, wildplassen, gebrek aan ontzag voor politieagent en onderwijzer en het feit dat in de tram vrijwel niemand nog opstaat voor kreupelen of bejaarden. Onze samenleving is van haar ankers geslagen en dobbert stuurloos rond op de golven van genotzucht en individualisme. Het ernstige misdrijf heet tegenwoordig «gedogen» en er woedt een hevig verlangen naar Orde. Omdat vroeger alles beter was, al was het alleen maar omdat we toen nog «onder ons» waren, wordt er naarstig gezocht naar Traditie.

Dat bij de komende verkiezingen een partij meedoet die zich tooit met de naam «Conservatieven.nl» laat zien dat conservatief een populaire geuzennaam is geworden, maar bewijst nog niet dat er in Nederland een levende conservatieve traditie bestaat. De politica die deze partij heeft opgericht, heeft immers geen flauw benul wat onder die traditie moet worden verstaan, en het overgrote deel van de met veel tamtam aan de weg timmerende populisten is net zo min conservatief als hun vermoorde voorbeeld. Het zijn hedonistische, grijpgrage patjepeeërs die zich in hun welvaart bedreigd voelen door te hoge belastingen en de groei van een allochtone onderklasse, en die met gebruikmaking van de onlustgevoelens van de mensen die écht in de problemen zitten, proberen de overheid aan te zetten tot een hardvochtig, echt «rechts» beleid.

De intellectuele conservatieven van de Edmund Burke Stichting zien het oprukkende populisme hooguit als symptoom van de groeiende onvrede met «de puinhopen van Paars», maar bezien dit fenomeen toch met zekere distantie. Vooralsnog is hun strategie vooral gericht op het beïnvloeden van de traditionele partijen ter rechterzijde. Met name in de VVD valt nog heel wat zendings arbeid te verrichten, aangezien de liberale anything goes-mentaliteit daar nog welig tiert. Het is ook de VVD die medeverantwoordelijk is geweest voor in conservatieve ogen verwerpelijke zaken als de verruimde euthanasie wetgeving, de opheffing van het bordeelverbod en in het algemeen een steeds verder voortwoekerend individualisme dat het cement van de samenleving aantast.

Omdat Nederland geen echte, zelfbewuste conservatieve traditie kent, hebben de nieuwe conservatieven veel te doen. Hoewel je ze met een — door marxistische historici gemunt — begrip als «invented tradition» waarschijnlijk op de kast jaagt, lijkt het er toch een beetje op dat men naarstig zoekt naar een eerbiedwaardige, indrukwekkende intellectuele traditie, een eregalerij van grote en prestigieuze namen, in wier voetsporen men kan treden. Zoals de naam geving van hun stichting al aangeeft, moet een dergelijke traditie vooral in het buitenland worden gezocht. Maar dat wil uiteraard niet zeggen dat er geen klassieke Nederlandse teksten bestaan die doordrenkt zijn van het conservatieve denken.

Het meest uitgesproken, en het meest oorspronkelijk, zijn de geschriften uit de calvinistische traditie. In het begin van de negentiende eeuw tekende Isaac da Costa zijn Bezwaren tegen de geest der eeuw aan, bezwaren die goeddeels werden samengevat in de titel van een boek van Groen van Prinsterer: Ongeloof en Revolutie. De Verlichting had de mens tot maat aller dingen uitgeroepen en het goddelijk gezag geloochend, waarna noodzakelijkerwijs de terreur van de Franse Revolutie volgde. De gevaren waarop Burke reeds in 1790 in zijn Reflections on the Revolution in France had gewezen, waren werkelijkheid geworden. Maatschappelijke hervormingen zijn van tijd tot tijd noodzakelijk, zolang ze maar geen totale breuk met de traditie en de omverwerping van de van God gegeven orde betekenen. Voorbeelden van dergelijke «goede» omwentelingen zijn de Nederlandse opstand tegen Spanje, de Engelse Glorious Revolution van 1688 en de Amerikaanse Vrijheidsoorlog van de achttiende eeuw.

Deze opvatting van Burke wordt met instemming aangehaald door Abraham Kuyper, in zijn uit 1899 daterende lezingenbundel Het calvinisme. Dit boekje is nu herdrukt als eerste deel van de nieuwe Maatstaf-reeks van uitgeverij Aspekt. Deze serie moet uitgroeien tot een corpus van belangrijke conservatieve teksten, die «de hedendaagse mens in onze beginselloze, relativistische tijd een maatstaf bieden, een criterium voor het Ware, het Goede en het Schone, vanuit de idee dat met name in de antieke en de Christelijke traditie van denken over de mens en de wereld grote wijsheid en diep inzicht ligt besloten».

Naast uitgever Martin Ros en vertaler Robert Lemm bestaat de redactie van deze reeks uit twee kopstukken van de Edmund Burke Stichting, de Leidse filosoof Andreas Kinneging en de gereformeerde historicus George Harinck. De laatste heeft de uitgave van Kuypers boek bezorgd en in zijn inleiding verdedigt hij de keuze om Het calvinisme op te nemen in een reeks conservatieve teksten. Op het eerste gezicht lijkt dat niet erg voor de hand te liggen. Kuyper was immers de man die met de oprichting van de Anti-Revolutionaire Partij, de eerste echte politieke partij, de impuls gaf tot de modernisering van de Nederlandse politiek, die als eerste politicus systematisch gebruik maakte van moderne massacommunicatie via de dagbladpers, en die in zijn rede op het Christelijk Sociaal Congres van 1891 fundamentele «architectonische kritiek» uitte op het maatschappelijk gebouw. De mensonterende omstandigheden waarin de arbeidersklasse moest leven, waren volgens hem echter niet het gevolg van maatschappelijke ongelijkheid, maar van het door de Franse Revolutie ontstane individualisme, waardoor veel bezitters geen enkel verantwoordelijkheidsbesef meer kenden. De oplossing van het probleem lag niet in een socialistische samenleving, maar in het herstel van «het gebouw onzer maatschappij» volgens de van God gegeven orde.

Geheel in de geest van Da Costa en Groen van Prinsterer trok Kuyper ten strijde tegen de erfenis van de Verlichting, die immers een aanval op de soevereiniteit van God op alle terreinen des levens was geweest. In zijn rede bij de oprichting van de Vrije Universiteit had hij in 1880 verklaard: «geen duimbreed is er op heel ’t erf van ons menselijk leven, waarvan de Christus, die áller Soeverein is, niet roept: ‹Mijn!›». De strijd diende te worden aangebonden tegen de «paganisten», teneinde de gehele maatschappij te «herkerstenen». In de praktijk kwam hier echter niets van terecht, zodat de gereformeerde «mannenbroeders» zich terugtrokken op hun eigen «erf» en zodoende een cruciale rol speelden in het proces van «verzuiling». Noodgedwongen legden Kuyper en de zijnen zich neer bij de scheiding van kerk en staat.

Honderd jaar later zijn er nog altijd mensen die zich hier niet in kunnen vinden. Niet alleen fundamentalistische moslims wijzen de scheiding van kerk en staat af, ook Harincks mederedacteur Robert Lemm houdt in de inleiding bij een ander deel van de Maatstaf-reeks een fel requisitoir tegen deze verworvenheid van de moderniteit. Maar Lemm is dan ook bepaald geen bewonderaar van Kuyper en het calvinisme. Sterker nog, het schuim staat hem bijkans op de mond als de Reformatie van de zestiende eeuw ter sprake komt. Als trouwe en wellicht overijverige zoon van de katholieke moederkerk houdt hij nog steeds vast aan de in 1302 afgekondigde pauselijke bul Unam Sanctam, waarin werd gesteld dat de kerk ook de suprematie over het wereldlijk gezag toekwam.

Lemm treedt hiermee volledig in de voetsporen van de Spaanse ultraconservatieve politicus en filosoof Juan Donoso Cortés, wiens uit 1850 daterende Ensayo sobre el catolicismo, el liberalismo y el socialismo hij heeft vertaald en ingeleid. Net zoals Kuyper was begonnen als een moderne theoloog, die door aanraking met vrome «kleine luyden» de weg terugvond naar de orthodoxie, zo was Donoso aanvankelijk een liberaal politicus. Toen in de zogenaamde Carlistenoorlogen de radicale elementen onder de liberalen geestelijken begonnen te vervolgen, koos Donoso de zijde van de kerk en aartsreactionaire kringen aan het hof. De revoluties van 1848 maakten hem duidelijk dat het met de wereld volledig de verkeerde kant op ging. In zijn Rede over de dictatuur uit januari 1849 stelde hij dat men slechts de keuze heeft tussen «de dictatuur van onderaf of de dictatuur van bovenaf», tussen «de dictatuur van de dolk en de dictatuur van de sabel». Voor de adellijke Donoso was die keuze heel simpel. En die dictatuur van de door het leger gesteunde grootgrondbezitters wordt gelegitimeerd door de katholieke kerk, die immers de enige solide keerdam tegen ongeloof en revolutie vormt.

In zijn boek probeert Donoso aan te tonen dat zowel het liberalisme als het socialisme een walgelijk wangedrocht is, verwekt door die monsterlijke Verlichting en gebaard door die gruwelijke Franse Revolutie. Ook intellectueel zijn ze verreweg inferieur aan het katholicisme. «Zoals het socialisme een samenraapsel is van thesen en antithesen die elkaar weerspreken en tenietdoen, zo smeedt de grote katholieke synthese alle dingen tot eenheid door haar verheven harmonie. Van haar dogma’s of leerstellingen mag men, hoe gevarieerd ze ook zijn, zeggen dat ze een hechte eenheid vormen. Iedere voorafgaande stelling lost zo volledig in de volgende op, en iedere volgende zo volledig in de voorafgaande, dat je er nooit achter komt welke de eerste en welke de laatste is in de grote goddelijke kring.»

Is dit nu pure antiquarische flauwekul? Voor Lemm in ieder geval niet, en Donoso heeft tevens grote invloed gehad op de omstreden maar nog altijd invloedrijke staatsrechtgeleerde Carl Schmitt. In zijn pleidooi voor een sterke staat beriep deze zich in eerste instantie vooral op Thomas Hobbes. Die geldt tegenwoordig echter vooral als de voorloper van de liberale rechtsstaat, zodat Schmitt in zijn strijd tegen het liberalisme meer had aan iemand als Donoso Cortés. Schmitt keerde zich immers niet alleen tegen de liberale democratie, maar tegen het gehele immanentiedenken van de moderniteit. Het katholicisme van Donoso leverde hem hiervoor een bruikbare theologische fundering.

Op de moeizame verhouding van Schmitt met het denken van Thomas Hobbes is als eerste gewezen door Leo Strauss. Deze in de jaren dertig naar Amerika gevluchte Duitse jood geldt tegenwoordig als een van de intellectuele iconen van het Amerikaanse conservatisme. In zijn zojuist verschenen Tussen Athene en Jeruzalem reconstrueert de Tilburgse rechtsfilosoof David Janssens het denken van Strauss, die een leven lang op zoek is geweest naar de bronnen van het politieke denken. Aanvankelijk vooral gebiologeerd door het werk van Spinoza komt Strauss al snel tot een radicale afwijzing van de Verlichting, die in haar rationalistische hoogmoed de eigen onwetendheid tot ultieme maatstaf verhief. Door haar oorlogsverklaring aan de vooroordelen resulteerde de Verlichting in de totale vernietiging van tradities, een proces dat culmineerde in de alles omverkegelende kritiek van Nietzsche op de Europese cultuur.

De Verlichting en het daaropvolgende nihilisme waren volgens Strauss volkomen negatief, bestonden uitsluitend uit de ontkenning van de traditie, en leidden de mensheid zo naar een doodlopende weg. Maar wat is het alternatief? Voor Strauss was een volledige terugkeer naar «Jeruzalem», naar de joodse orthodoxie, onmogelijk omdat het werk van Spinoza zich niet meer liet uitvlakken. Ook het radicaal tegenovergestelde reisdoel «Athene», met Socrates’ vraag naar het goede leven, is geen afdoende oplossing, omdat de vrije contemplatie onvoldoende grond onder de voeten geeft. Uiteindelijk kwam Strauss bij zijn zoektocht naar een fundering voor de moraal uit bij de middeleeuwse filosofie van Maimonides.

In intellectueel opzicht is de bestudering van het werk van Strauss zeer interessant, terwijl Kuypers geschriften ons veel leren over de negentiende eeuw en Donoso een zekere amusementswaarde heeft — maar levert dit alles de nieuwe conservatieven nu ook een solide grondslag voor een radicaal andere politiek? Een politiek die zich zowel keert tegen het liberalisme als tegen het populisme? Dat valt te betwijfelen, aangezien deze drie «stromingen» — als ze tenminste als zodanig zijn te onderscheiden — tenminste één karaktertrek gemeen hebben, en dat is de wens de bestaande maatschappelijke verhoudingen te verdedigen ten koste van alles. Dat is een volstrekt legitieme wens, maar het geeft het zoeken naar een prestigieuze intellectuele traditie enigszins de bijsmaak van fraaie doch weinig voedzame garnering.

Abraham Kuyper

Het calvinisme

Met een inleiding van George Harinck

Uitg. Aspekt, 202 blz., € 16,98

Juan Donoso Cortés

Katholicisme, liberalisme, socialisme

Vertaald en ingeleid door Robert Lemm

Uitg. Aspekt, 256 blz., € 16,98

David Janssens

Tussen Athene en Jeruzalem: Filosofie, profetie en politiek in het werk van Leo Strauss

Uitg. Boom, 336 blz., € 25,-

Maartje Janse

De geest van Jan Salie

Er verschijnen tegenwoordig tal van vuistdikke, zeer geleerde studies over begripsgeschiedenis, waarin met veel omhaal van woorden wordt ingegaan op de evolutie van bepaalde historische categorieën. In de alleraardigste serie Verloren verleden, die bestaat uit kleine, helder geschreven en mooi geïllu streerde boekjes over gedenkwaardige momenten en figuren uit de Nederlandse geschiedenis, verscheen onlangs een deeltje over Jan Salie. Hij was een figuur uit Potgieters Jan, Jannetje en hun jongste kind (1842) en in tegenstelling tot zijn broers Jan Contant en Jan Crediet was hij een karakterloze slampamper die symbool stond voor het gebrek aan ondernemingszin dat kenmerkend zou zijn geweest voor het Nederland van na de Gouden Eeuw. Als «patroon aller slaapmutsen» ontwikkelde Jan Salie zich in de negentiende en twintigste eeuw van een romanfiguur tot een begrip dat door serieuze historici en intellectuelen werd gehanteerd.

Uitg. Verloren, 95 blz., € 9,30

Sebastian Haffner

De zeven doodzonden van Duitsland tijdens de Eerste Wereldoorlog

Als het ging om mythes konden de Duitsers er ook altijd wat van. Een van de meest beruchte is nog altijd de zogenaamde Dolkstootlegende, volgens welke Duitsland de Eerste Wereldoorlog had verloren door het verraad van joden en socialisten, die het keizerlijke leger de doodsteek hadden gegeven door achter het front een revolutie te ontketenen. Met de hem kenmerkende zwierige penseelstreken laat Haffner zien dat het de Duitse legerleiding was die verantwoordelijk was voor de nederlaag. Hij telt in totaal zeven ernstige misrekeningen, die met elkaar zorgden voor een voor Duitsland fatale afloop. Met zijn, aan Fritz Fischers Griff nach der Weltmacht ontleende visie dat Duitsland verantwoordelijk was voor het uitbreken van de oorlog, maakte Haffner begin jaren zestig weinig vrienden.

Uitg. Mets & Schilt, 176 blz., € 17,50

Daniel Jonah Goldhagen

Een morele afrekening

Aandacht is lekker en veel aandacht werkt verslavend. Na het overdonderende succes van Hitler’s Willing Executioners, waarin hij op even simplistische als meeslepende wijze de Duitsers collectief schuldig achtte aan de moord op de joden, moest Goldhagen natuurlijk wel alle zeilen bijzetten om voor zijn volgende boek even veel aandacht te krijgen. Daarom heeft hij nu de katholieke kerk «aangepakt» wegens haar rol in hetzelfde drama. Evenmin als in zijn vorige boek komt Goldhagen met nieuw materiaal, maar waar het gaat om conclusies en consequenties hanteert hij dezelfde megafoon. Net als Ian Kerzer (zie deze rubriek van 6 april) is hij van mening dat de kerk een morele schuld heeft ten opzichte van de joden, alleen toont Goldhagen zich een typische Amerikaan door hier onmiddellijk financiële genoegdoening te eisen, terwijl de kerk zich eindelijk ook onvoorwaardelijk achter Israël dient te scharen. Goldhagen weet immers dat kritiek op Israël niets anders is dan verkapt antisemitisme.

Uitg. De Bezige Bij, 382 blz., € 29,50

Ad van Liempt

Kopgeld

Geen grote woorden, geen pretenties, maar pijnlijk gedetailleerd onderzoek naar een pijnlijk onderwerp. Andere tijden-eindredacteur Ad van Liempt reconstrueert in dit boek de weerzinwekkende praktijken van Nederlandse premiejagers, die voor ƒ 7,50 «per kop» joden arresteerden en uitleverden aan de Duitsers. Met ongekende ijver en «expertise» — in een volle stationshal haalden sommigen er feilloos de met valse papieren reizende joden uit — spoorden de leden van de Colonne Henneicke minstens achtduizend slachtoffers op. Een gruwelijk en beschamend boek.

Uitg. Balans, 373 blz., € 21,50

Kerstin Holzer

Elisabeth Mann Borgese

Over de kat van Céline is een boek verschenen, maar een biografie van een huisdier van Thomas Mann is mij niet bekend. Nu had de Zauberer, in tegenstelling tot zijn Franse collega, wel zes kinderen, die voer voor biografen zijn. Hoewel het twijfelachtig is of deze kinderen ook zouden zijn gebiografeerd als ze een andere vader hadden gehad, zijn het alle zes wel zeer interessante en begaafde mensen geweest. Elisabeth (1918-2002) was de lievelingsdochter van paps en maakte in deze familie van neuroten verreweg de normaalste indruk. Opgeleid tot concertpianiste werd ze uiteindelijk hoogleraar politicologie in Canada en zette ze zich in voor de bescherming van de wereldzeeën.

Uitg. Balans, 221 blz., € 20,-

Ronald Tinneveld & Gert Verschraegen (red.)

Rawls: Een inleiding in zijn werk

In deze tijden waarin vroom gehuichel over «normen en waarden» fungeert als vlag op de modderschuit van het grijpen-wat-je-grijpen-kunt, en «veiligheid», «orde» en «plicht» de nieuwe modewoorden zijn, lijkt John Rawls hopeloos uit. Was lange tijd zijn liberale, op het gelijkheids beginsel gebaseerde rechtvaardigheidstheorie zo dominant dat je er bijna misselijk van werd, nu schijnt zijn werk zo de papierversnipperaar in te kunnen, als we de nieuwe conservatieven tenminste mogen geloven. Deze bundel laat zien dat dit wellicht toch niet zo slim is.

Uitg. Pelckmans/Klement, 192 blz., € 18,95

Robert Moore

De Koersk

Dat dit een ijzingwekkend boek is hangt niet alleen samen met het feit dat het zich afspeelt in arctische wateren. De minutieuze beschrijving van de ramp in de kernonderzeeër maakt duidelijk dat het slechts een haar heeft gescheeld — of beter gezegd: één stalen schot — of de wereld was opgeschrikt door een nucleaire ramp van ongekende omvang. Ook de zenuwslopende schemeroorlog tussen spionerende onderzeeërs en vliegtuigen, plus de meedogenloze Russische bureaucratie worden zeer pakkend beschreven. Waarschuwing voor chauvinistische lezers: de met veel Hollands Glorie-bravoure bejubelde bergingsoperatie komt er zeer bekaaid vanaf.

Uitg. Balans, 302 blz., € 17,90

Amy Dempsey

Encyclopedie van de moderne kunst

Iedereen met een beetje algemene ontwikkeling kent kunststromingen als het impressionisme, kubisme en surrealisme, en wie weleens het rariteitenkabinet van Rudi Fuchs heeft bezocht kent het werk van Donald Judd en Carl Andre en weet dus wat minimalisme is. Maar welk deel van het in kunst geïnteresseerde publiek dat géén kunstgeschiedenis heeft gestudeerd kent stijlen als het cloisonnisme, de Mir Iskusstva, de Ashcan School, het orfisme, de Art informel, Grav, of Transavanguardia? Soms is het werk van een bepaalde kunstenaar wel redelijk bekend, maar weet de leek niet goed uit welke stroming dit voorkomt. In deze encyclopedie zijn de bekende en minder bekende kunst- en architectuurstromingen sinds 1860 in min of meer chronologische volgorde terug te vinden, terwijl tevens hun onderlinge verwantschap duidelijk wordt.

Uitg. Waanders, 304 blz., € 35,-