KUNST

Tering en nering

Edvard Munch

Over de schilder Edvard Munch verscheen in 1944, kort na diens dood, een biografie van de hand van de Noorse schrijver, verzamelaar en financier Rolf Stenersen (1899-1978). Deze Stenersen, die zijn grote kunstverzameling aan Oslo naliet, had Munch goed gekend, en hij is een even charmante als onbetrouwbare getuige, wat al blijkt uit de titel, Close-up of a Genius. Voor Noren is Munch dat, het grootste genie van de natie, van wie de carrière vrijwel parallel loopt met de herwonnen onafhankelijkheid van het land. Munch was een buitengewoon lastig mens, steeds maar één of twee stappen verwijderd van serieuze psychische problemen, en toch werd hij door de jonge Noorse staat al vroeg omarmd en financieel gesteund. Kennelijk voelden de Noren een verwantschap met de getroebleerde visie op het leven zoals die bijvoorbeeld ook in het werk van Ibsen naar voren komt.
Stenersen windt er geen doekjes om: Munch was een ruziemaker, een alcoholist, een paranoïde zonderling. De oorsprong van zijn gevoeligheid legt Stenersen in diens jeugd, wat een waar ibseniaans drama was. Munchs moeder overlijdt jong aan tbc, waarna zijn vader, tot dan een wereldwijze, vrolijke arts, verandert in een sombere met de bijbel zwaaiende despoot. Acht jaar later overlijdt de oudste dochter, Sofie, ook aan de tering. Noch het fervente geloof van de vader, noch diens medische kennis had dat voorkomen; de jonge Munch raakte vervuld van bitter verwijt, en ontwikkelde een sterke afkeer van de buitenwereld. De Noorse kunstscene, voor wat die waard was, bood weinig soelaas. Munch was er een buitenstaander. De bohème werd bezocht door een stel ‘wilde’ vrouwen, die met iedereen naar bed gingen en dan, al of niet zwanger, scènes schopten in het restaurant van het Grand Hotel. Een van die vrouwen lokte Edvard naar haar kamer, en dreigde met zelfmoord; toen Munch haar het pistool afpakte schoot ze een stuk van zijn rechtermiddelvinger af. Zijn reserves veranderden in nerveuze afschuw.
Voor de bezoeker van een Munch-tentoonstelling is die geschiedenis een handig sjabloon. De preoccupaties zijn gemakkelijk te herkennen in het werk waarmee hij als 23-jarige voor het eerst naam maakte, Het zieke meisje en Puberteit. In het eerste ligt de geschiedenis van het ziekbed van zijn zusje besloten, dat te midden van verdriet over haar naderende dood opziet naar het licht. In het andere zit een naakte adolescente op de rand van een bed, de handen krampachtig tussen de knieën, met achter haar een reusachtige fallus-achtige schaduw. Het is alles dood en angst.
Maar Munchs onzekere psychische toestand was niet alleen een Van Gogh-achtige handicap: het was tegelijkertijd zijn handelsmerk en zijn commerciële troef. Toen hij in 1892 in Berlijn verbleef zocht hij het gezelschap van die andere Scandinavische somberkees, August Strindberg. De heren waren voor elkaar gemaakt. Al spoedig deden verhalen de ronde. Over hoe Munch Strindbergs portret schilderde: Strindberg maakte ernstig bezwaar tegen de achtergrond, waarin een vrouwenfiguur te ontwaren was. Bij de volgende sessie legde hij een pistool op tafel en zei: 'Geen insinuaties!’ De Duitse pers publiceerde gretig stukken over de 'krankzinnige Noor’ die bij de Kunstenaarsvereniging zou exposeren. De tentoonstelling ging daarom aanvankelijk niet open, polemiek ontvlamde, kunstenaars als Max Liebermann namen het voor Munch op. Zonder dat hij er iets voor hoefde te doen werd hij cause célèbre, waar kunstpausen als Ernst en Paul Cassirer, Harry Graf Kessler en Albert Kollman op af kwamen, met gevulde portemonnees.
Stenersens biografie is een heerlijk boek, met echt grappige anekdotes over een man die van een recalcitrante houding zijn beroep maakte, om zo het enige waardevolle in zijn leven, het schilderen, te kunnen afschermen. Het sjabloon is dus verraderlijk; Munch heeft meer gemeen met Edgar Allen Poe, misschien: een pathologische voorkeur voor seks en angst en horror, maar tegelijkertijd een zuivere, bijna kuise geest.

Edvard Munch, t/m 20 februari 2011, Kunsthal Rotterdam