Essay: Relaas van een vmbo-leraar

Terra Incognita

De moord op een vmbo-leraar, eigenlijk kon het niet uitblijven. Op de zwarte monsterscholen lopen eenvoudig te veel leerlingen rond met te grote problemen. Zo ook in Amsterdam-West.

Het had dinsdag 13 januari ook een van onze leerlingen kunnen zijn die een van onze docenten had doodgeschoten. Onze school in Amsterdam is net als het Terra College in Den Haag een groot en vooral zwart vmbo. Uiteraard hebben wij vrijdag om elf uur in onze zes gebouwen een minuut stilte betracht, en de leerlingen waren stil die ene minuut. Er waren docenten die vooraf met hun klas hadden geoefend en er waren er die tegen hun leerlingen hadden gezegd dat ze die ene minuut niet per se aan de doodgeschoten leraar hoefden te denken — denk dan maar aan een familielid, een dierbare vriend of kennis. We hebben nogal wat leerlingen uit oorlogsgebieden. Sommige leerlingen hebben grapjes gemaakt («Als u me een onvoldoende geeft, neem ik morgen mijn pistool mee»); sommige docenten konden daar slecht tegen.

Het heeft indruk op ons gemaakt, dit doodschieten van een collega, en we hebben erover gesproken, hoe dit kon gebeuren, wat is er toch aan de hand — maar het heeft ons niet verbijsterd. Nee. Er lopen bij ons op school, net als op het Terra en al die andere zwarte monster-vmbo’s, eenvoudig te veel leerlingen rond met te grote problemen.

Eigenlijk kon het niet uitblijven.

Dus was het de afgelopen week toch vooral weer business as usual, hoe cynisch het ook klinkt. Dat betekent: in de clinch met Karima, dertienjarige Marokkaanse met hoofddoek, die ontkent en blijft ontkennen: nee, ze heeft dat briefje niet in de tas van Maria gestopt, een door Maria gevonden briefje waarop staat «Maria is een hoer». Het is niet zomaar een ontkenning, het is een spraakwaterval van ontkenningen te midden van een wervelstorm van verontwaardigde gebaren. Zij heeft het niet gedaan, kán het niet eens gedaan hebben, oualla ik zweer het je meester. Het kost me een vol uur, een uur van praten en op de gang zetten en laten nadenken, en van dreigen met straf en ouders op school om haar zover te krijgen te bekennen, en op te houden met tegen mij te liegen. Een vol uur. Pas dan, op mijn voor de zoveelste keer herhaalde vraag of zij het gedaan heeft («Zeg gewoon ja Karima, dan ben je ervan af») een met gebogen hoofd en rode konen fluisterzacht uitgesproken: ja.

Zelfs bij dit gedoe om niets denk ik aan de rampzalige Murat D. De week stond in zijn teken. Voor mijn gevoel is er een verband tussen hem en Karima, maar welk? De naam Nourdin schiet mij te binnen, ook zo een die alles ontkent. Deze Marokkaanse jongen kwam twee jaar geleden naar Nederland, op zijn vijftiende, en altijd als er iets vernield was, had hij het gedaan. Nu, in zijn tweede jaar, neemt hij zijn boeken niet meer mee en spijbelt. Onlangs sprak ik zijn vader, die mij er met smeekbeden van probeerde te weerhouden zijn zoon van school te verwijderen. Ik had geen medelijden met de man. Zo’n jongen pas op zijn vijftiende hierheen halen is, weet ik inmiddels, geen goed idee. Hem een zomervakantie lang alleen laten, in Amsterdam — zelf zat vader in Marokko — ik heb daar geen woorden voor.

Even sprakeloos laat mij de ontmoeting met de vader van de Marokkaanse Latifa. Een onmogelijk kind, een superintrigant, als stoker een natuurtalent. Binnen een week heeft zij een klas die zij niet kent, die tot haar komst een prettige klas was, omgevormd tot een ruziënde puinhoop waar de docent geen enkele grip meer op heeft. Het kost moeite vader zover te krijgen dat hij de school van zijn dochter bezoekt, zodat wij eens kunnen praten. Maar uiteindelijk verschijnt hij dan, schuifelend door de gang, een kromme oude man in djellaba, steunend op een dikke wandelstok, die nauwelijks Nederlands spreekt. «Ik ziek!» roept hij mij met hese stem van verre toe. Hij blijkt 85. Latifa is dertien.

De vader van de Antilliaanse Winston zit in de gevangenis. Zijn moeder komt regelmatig op school, maar Winston wil haar niet spreken, wij weten niet waarom. Als hij haar in de gang ziet, loopt hij weg. De jongen is dertien jaar en woont bij zijn tante. Hij kan maar weinig, kan nauwelijks rekenen, nauwelijks lezen, nauwelijks schrijven. Tijdens het tweede uur loopt hij de klas uit, hij is boos op de docente Nederlands: «Ik ga een stoel naar haar gooien.» Ik heb een zwak voor Winston en zeg: «Je bent boos, je gaat een stoel naar mevrouw Dekker gooien.» Het heeft bij Winston geen zin te preken («Dat moet je niet doen Winston») of met straf te dreigen («Als je dat doet…») want dan wordt hij nog bozer, bokkig en onhandelbaar. Het is beter hem maar zo boos te laten, contact te houden. Zo praten wij een tijdje met elkaar. Wat ik zie, spreek ik hardop uit («Je kijkt nog steeds erg boos»). Wat hij zegt, herhaal ik («Je wilt niet meer terug naar de klas, je gaat een stoel naar mevrouw Dekker gooien»). En ziedaar: zijn woede verdwijnt en er verschijnt zelfs een lach op zijn gezicht. «Ik zie dat je lacht», zeg ik, «je bent niet meer boos.» Ik breng hem een lesuur onder bij de handenarbeiddocent — timmeren kan hij wél — en na dat lesuur vraagt hij zelf of hij terug mag naar mevrouw Dekker, terug, wat is het anders, naar de vernederingen van het lezen en schrijven. Hij wil het weer proberen.

Pas later realiseer ik me: maar dit heb ik geleerd op de agressietraining. Agressietraining ja, ook wij moeten eraan geloven. Houd contact. Daar komt een leerling kwaad op je af en noemt jou een kankerlijer — en je eerste reactie is: dat pik ik niet. Waar is het respect? Nee, dat pik je wel, want je vat het niet persoonlijk op. Waarom zou je ook? En je zegt: «Je bent heel boos, je noemt mij een kankerlijer, je vindt die onvoldoende op je rapport niet terecht, je voelt je belazerd.» Pas daarna kun je praten, ook over respect.

Contact houden. Hoe vaak, denk ik deze week, hebben we het gevoel dat we niet worden begrepen, zelfs niet gehoord? En hoe razend kan dat je maken? «Luister nou eens naar mij!» Of: «Je begrijpt me niet!» Hoe vaak komt dit niet voor zelfs als we onder elkaar zijn, onder gelijken, onder ons? En hoe houden wij dan contact met al die anderen, die we zo slecht kennen, de Turken, de Marokkanen, al die minderheden die hier ook wonen?

Makkelijk is het niet. Ik denk aan de Turkse Baki, die ik tien jaar geleden in de klas had. Hij was door zijn vader hierheen gehaald, net als Nourdin, op zijn vijftiende. Baki was een voorbeeldige leerling maar ook hij was hier het eerste jaar doodongelukkig, en al maakte hij de school wel af, studeren lukte hem niet meer.

«In Turkije was het altijd mijn ideaal geweest, studeren, hier had ik er geen zin meer in.» Dat vertelt hij me als ik hem opzoek, nu een half jaar geleden, nieuwsgierig naar hoe het hem in die tien jaar is vergaan. Is hij geïntegreerd? Hij blijkt getrouwd met een Turkse die hier geboren is, en heeft juist een computerwinkel geopend. Daar komen ook Nederlandse klanten, maar zijn sociale leven speelt zich toch af, erkent hij, binnen de Turkse gemeenschap. Hij vindt Nederlanders eigenlijk maar raar. «Ze praten niet, ze roddelen altijd. Thuis praten ze over hun werk en op het werk praten ze over hun vrouw.» Bij hen, zegt hij, is binnen binnen en buiten buiten, en dat, zegt hij, is toch beter.

Ik spreek ook de andere leerlingen van de klas van Baki. Ook bij de Marokkanen voel ik die gapende kloof, tussen hen en mij, tussen hen en ons. Abdel en Salah zijn slimme, bijna briljante broers en ze zijn goed terechtgekomen, universiteit in Delft afgemaakt, goede baan in de ICT. Ze geven toe: we leven in de Marokkaanse cultuur, maar, zeggen ze erbij: we staan met twee benen in de Nederlandse maatschappij. Dan komen we te spreken over de rechten van de vrouw. Ik denk: dat moet toch kunnen met deze slimme jongens, en dan zegt Salah: «Maar man en vrouw zíjn niet gelijk.» Ik kijk hem aan met gefronste wenkbrauwen. Hij verklaart, rustig, ernstig, bijna verontschuldigend: «Maar zo staat het in de koran.» Als ik nog steeds niks zeg — weer even sprakeloos — voegt hij er zacht aan toe: «De koran is het woord van God.»

En dan heb ik nog het gevoel dat ik deze jongens ken. Ik werk al tien jaar met ze. Maar de gemiddelde Nederlander? Hoe groot is niet de afstand tussen de Nederlander die níet op een school als de onze, als het Terra werkt, en jongens en meisjes als Nourdin, Baki, Salah, Latifa, en hun ouders? Contact houden? Over die gapende kloof heen? Ik zal u zeggen hoe mijn leerlingen het ondergaan, het contact met Nederlanders. Zij komen naar mij toe en zeggen: u weet niet hoe dat voelt meester, zoals de mensen naar ons kijken, op straat, in de tram, in winkels. En inderdaad, ik weet niet hoe dat voelt, die blikken. Ik zeg: misschien zijn ze bang voor jullie, ze kennen jullie niet. En ik denk: is het vreemd dat ze het gevoel hebben er niet bij te horen, wonend in hun achterstandswijken, schoolgaand op hun zwarte vmbo’s? Wij docenten reizen iedere werkdag af naar Amsterdam-West, naar het getto in Slotermeer, om er les te geven aan hen die daar wonen en die wij daar, aan het einde van iedere werkdag, weer achterlaten.

Dus dat spandoek met «we love you Murat»… onder collega’s, hebben wij erover gesproken dat dat écht niet kan, dat ze dat écht moeten leren. Maar ook hier denk ik: deze jongens en meisjes kiezen voor wat eigen is, voor wat ze kennen. En dat is Murat, die ze graag mogen, en niet de conrector, die Murat «treiterde». Een man die een wereld vertegenwoordigt waarmee ze niks gemeen hebben, die ze niet begrijpen, waarvan ze ook geen deel uitmaken, waar ze buiten staan, feitelijk geen contact mee hebben, een wereld die hen aankijkt alsof ze weet ik wat voor smerigs zijn. Een wereld die hen, laten we het nou maar toegeven, afwijst.

Uit die wereld pakt Ali wat hij pakken kan. Ali, zeventienjarige Marokkaan, is notoir spijbelaar. Afkomstig uit een cultuur van schaamte, ja, maar de schaamte allang voorbij. Thuis geen geld, geen liefde, geen ouders voor wie hij nog veel respect voelt, die een voorbeeld zijn. Waarvoor zou hij, wonend in dit land, ontworteld, zich nog schamen? Ali is een praatjesmaker, een gladde jongen, modieuze kleding en coupe die stijf staat van de gel, grote BMW. Een ritje naar München, om een kilo cocaïne af te leveren, betaalt drieduizend euro. Dat zijn de dagen dat Ali spijbelt. Zijn avonden brengt hij bij voorkeur door op het Leidseplein, een pilsje drinken met vrienden, op jacht naar meisjes. Naar Néderlandse meisjes, uiteraard. Aan Marokkaanse meisjes brandt Ali zich niet, die hebben broers, die nemen wraak. Zijn ideaal, zegt hij, is uiteindelijk toch te trouwen, natuurlijk meester, maar dan wel met een Marokkaans meisje, een «maagdenmeisje». «Ik hoef geen tweedehands.»

En dan is Ali nog een aardige jongen, niet zo agressief, geen vechtersbaas, eigenlijk nog heel open. Niet iemand, al heeft hij een gevaarlijk vak gekozen, die met een pistool rondloopt, al zal hij er heus een hebben. Hoe vaak hebben leerlingen uit Pakistan, uit Bosnië, uit Turks Koerdistan, uit Afghanistan mij geen foto’s laten zien, foto’s van thuis, van hun eigen land, waarop ze poseren met een pistool in iedere hand, als stoere jongens. De eerste keer was ik geïmponeerd. Maar Vijaj, vroeg ik, hoe kom je daaraan? «Bij ons heeft iedereen wapens meester.» «Hier toch niet, toch niet in Nederland?» Nee, hier niet, stelt Vijaj mij gerust, maar het zou niet moeilijk zijn er aan te komen. «Ik hoef maar één keer te bellen meester, en ik heb vanavond een pistool.» Ik heb het inmiddels vaker gehoord. Voor veel van onze allochtone leerlingen bevindt de misdaad zich op één armlengte afstand; maar één broer, één vriend, één oom, één kennis van ze verwijderd.

Ali, Nourdin, Murat, enfin, hun hele generatie, die zou de lost generation genoemd moeten worden, no future. Het is potsierlijk om dat van willekeurig welke Nederlandse generatie te beweren. De Muratten, Baki’s, Latifa’s, die hier wonen en vaak ook zijn geboren, zij zijn niet eens Nederlands, hebben niet eens een eigen land. Waar zou hun loyaliteit moeten liggen? Nog zo’n herhaaldelijk gestelde vraag door leerlingen: waarom ik op zo’n slechte school werk? Maar waarom, vraag ik dan, denk je dat dit een slechte school is? Maar als dit géén slechte school is meester, waarom zitten er dan geen Nederlanders op? Als dit een goede school was, zouden Nederlandse ouders hun kinderen hier toch ook heen brengen?

Is het om moedeloos van te worden? Ja. Ik bel de vader van de veertienjarige Abderrahman omdat de jongen begint te spijbelen. Abderrahman zit tegenover mij en luistert mee, en hij schijnt het niet erg te vinden dat ik zijn vader bel. Terwijl ik met zijn vader praat, probeert hij mijn aandacht te trekken, hij zwaait met een boek. Boeken, begrijp ik dat hij wil zeggen, denk aan de boeken! En ik sla mezelf voor mijn kop en denk: o ja! Natuurlijk! En ik vraag vader: heeft u het boekengeld van Abderrahman nu nog steeds niet betaald meneer? U herinnert zich toch meneer dat ik er al twee keer eerder over heb gebeld, u moet dat geld nu echt betalen! Het is nu januari meneer en uw zoon zit al vier maanden zonder boeken in de klas! Hij werkt nog steeds met de kopieën die ik twee keer per week voor hem maak! We raken hem zo kwijt meneer, straks komt hij helemaal niet meer naar school. U moet dat geld deze week betalen, nog deze week!

Is het om moedeloos van te worden? Nee. Ik denk aan de Bosnische Tanja, die tien jaar geleden ook in die klas van Baki en van de Marokkaanse broers Abdel en Salah zat, en die mij zei dat ze het eerste jaar in Nederland meer vloekten dan ze ooit hadden gedaan. «In Bosnië kreeg ik een klap van mijn vader als ik vloekte, in Nederland vloekte hij zelf de hele dag. Ik ging dat ook doen, Nederlanders konden mij toch niet verstaan. Als de trambestuurder de deur te laat voor me open deed schold ik hem uit in mijn eigen taal. We hadden nog geen sociale omgeving hier, niemand voor wie we nog iets op hoefden te houden, dat eerste jaar gleden we echt af.» Tien jaar later rommelt haar vader nog altijd in de marge, maar Tanja zelf is inmiddels tandarts.