Terreur op microfilm

Eerst economisch herstel, daarna kwam het recht wel aan de beurt. En de door de staat gepleegde wreedheden zou de staat zelf wel inventariseren. Zo was de reactie van de Russische autoriteiten op Memorial. Maar Memorial ging door. Haar archieven liggen sinds kort in Nederland.

ZAAK 27, BORIS LVOVITSJ: ‘Na de inspectie begaven we ons in ploegen naar de eetzaal. Iedereen kreeg een hoeveelheid brood die afhankelijk was van de verdienste van twee dagen daarvoor. Het brood werd door de broodsnijder uitgedeeld volgens de lijst die door de boekhouder was opgesteld. Voor honderd procent - 1 kilogram, voor tachtig procent - zeshonderd gram, en tot vijftig procent - driehonderd gram.
In de eetzaal kwamen we aan met ons rantsoenbriefje en kregen we een schepje pap in ons kommetje. De bezitters van een keteltje waren geluksvogels. Daarin kon meer geschept worden dan in een kommetje. In het kamp Vjerch-Sjoltsjino had ik een keteltje. Het was in het bed van een overleden oude man blijven liggen. Het was een armzalig, zwart stuk ijzeren keukengerei. Het heeft mij herhaaldelijk van de hongerdood gered…’
Duizenden van dergelijke gedetailleerde persoonsgeschiedenissen over het stalinisme liggen nu in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam. Directeur Jaap Kloosterman werd eind 1990 gepolst of zijn instituut bereid was het materiaal voor onderzoek veilig te stellen. In 1992 kreeg het IISG subsidie los, waarna de archieven op microfilm konden worden vastgelegd. Het IISG bezit nu als enige in de wereld een kopie van de dossiers.
De verhalen zijn opgetekend door activisten van Memorial. Deze organisatie van vrijwilligers, in augustus 1987 semi-clandestien begonnen en in januari 1990 officieel erkend, verzamelt systematisch informatie over slachtoffers van de politieke terreur, met name in de jaren dertig tot vijftig. Ze behartigt hun belangen en richt herdenkingsmonumenten op voor de miljoenen doden. Memorial kent meer dan honderd afdelingen, verspreid over de voormalige Sovjetunie. Strafdossiers, foto’s, brieven van 'werkschuwe staatsterroristen’, 'gedekoelakiseerden’, 'schizofrenen’, 'kinderen van de vijanden van het volk’ worden in de deelrepublieken op drukbezochte spreekuren verzameld. Veel materiaal ging helaas verloren tijdens arrestaties en door gevangenschap en executies, maar ook doordat bezorgde burgers hun persoonlijke papieren zelf vernietigden. Sinds 1989 verzamelt en ordent Memorial daarom ook mondelinge getuigenissen.
Memorial weigert staatsinmenging, maar benadrukt steeds dat zij geheel binnen de grondwet opereert. De wreedheden die de Russische Binnenlandse Veiligheidsdienst NKVD (vanaf 1954: KGB) daarentegen beging, waren in strijd met de constitutie. Toen Memorial de Partij met deze kloof tussen ideologie en praktijk confronteerde, was de reactie een ontkenning van arrestatiepraktijken, massamoord en vernietigingskampen. Dit bezorgde Memorial duizenden aanhangers. Het apparaat weerde zich krachtig, bang voor een bijltjesdag. De voormalige Sovjet-leiding stelde in 1988 letterlijk: 'Het volk heeft geen Memorial nodig.’ De prioriteit lag bij economisch herstel. Bovendien kon de Partij haar eigen verleden wel onderzoeken.
Al snel werd westerse onderzoekers de historische waarde van het groeiende Memorial-archief duidelijk. Tot op heden is bijvoorbeeld het exacte aantal slachtoffers van het stalinisme onbekend. Onderzoeksresultaten varieren van drie tot 47 miljoen doden. Duizenden dossiers zijn wegens 'plaatsgebrek’ vernietigd. Meervoudig bevestigd is het gerucht dat het oude partijkader uit angst voor strafrechtelijke vervolging de eigen dossiers met veel roebels 'opkoopt’.
ONDER MEMORIAL-LEDEN is de angst voor vernietiging van het archief groot. Vooral sinds de couppoging in augustus 1991 en de politieke chaos rond de bestorming van het door de oppositie bezette televisiecentrum van Moskou in oktober 1993. En dan is er het heroplevende neostalinisme. Zo meldde een Oekrainer zich tot zeventien maal toe bij de rechtbank om bezoedeling van Stalins naam door Memorial tegen te gaan. Het enorme archief stond daarom tot voor kort verdeeld over koffers bij activisten thuis. Gereed voor transport bij een politieke ommezwaai.
Kloosterman: 'Het was daar allemaal steeds net goed gegaan. De dossiers moesten nu weg. Ze vertrouwen erop dat we die goed beheren. Dergelijk historisch zuiver materiaal vind je nergens anders. Het geeft een tamelijk compleet beeld van de repressie van de gewone Rus. Met deze levensverhalen krijgen we een veel nauwkeuriger beeld van het leven in de kampen. Men denkt dat daarover alles bekend is, maar het tegendeel is waar. De omvang van de hele Goelag Archipel is nog altijd onduidelijk. Het is vaak giswerk gebleken. Het archief zal geen essentiele wijziging van bestaande inzichten opleveren. Maar er bevinden zich nog erg veel witte plekken in de kampgeschiedenissen. Onze kennis van het kampsysteem bijvoorbeeld is nog fragmentarisch. De economische betekenis van de werkkampen is nauwelijks onderzocht. Ook over arrestatiepatronen valt op grond van deze verhalen straks veel meer te zeggen. Het is echt uniek materiaal.’
NANCI ADLER schreef het eerste boek over Memorial, Victims of Soviet Terror: The Story of the Memorial Movement (1993). Ze pleitte ervoor het archief naar Nederland te halen. Als onderzoekster aan het Oost-Europa Instituut van de Universiteit van Amsterdam bestudeert ze nu als eerste de dossiers.
Adler: 'Slachtoffers komen op de spreekuren om talloze redenen: met juridische vragen, met vragen over pensioenen. Maar ze willen vooral vertellen. Het heeft ook zeker een therapeutische werking. Ik was er eens met mijn man. Hij spreekt geen Russisch. Dat vertelde ik iedereen, maar ze bleven tegen hem praten. Ze moesten het kwijt.’
Adler onderzoekt de beleving van de post-kampperiode door voormalige gevangenen. Ze komt om in het materiaal. Het zijn ego-documenten die getuigen van de eigenschappen die Solzjenitsyn al aan de kaste van Goelagbewoners toeschreef: van constante angst en achterdocht, van verraad en liegen als noodzakelijk onderdeel van het bestaan, van ontaarding en wreedheid, van een slavenmentaliteit. Dat ging door na hun vrijlating.
Adler: 'Kijk, Solzjenitsyn heeft kamplevens literair beschreven in De Goelag Archipel. Zo levendig krijgt niemand het. Ik probeer op een wetenschappelijke manier die sociale geschiedenis terug te halen. Ik zoek geen bekende politici of schrijvers, maar gewone mensen die vertellen in hun eigen woorden. Daaraan is veel behoefte.
Het materiaal is niet geordend. Het zijn dossiers van soms tweehonderd pagina’s, alleen op alfabet gelegd. Wil je een goed inzicht krijgen, dan moet je alles lezen. Veel verklaringen zijn zonder precisering aangeleverd. Dan denk je: is dit twintig jaar eerder of later? Zulke omissies zijn vreselijk voor een onderzoeker.’
Adler erkent dat er veel ontbreekt. 'Het gaat om duizenden mensen die tot tien jaar veroordeeld waren, met een verbod tot het schrijven van brieven. Die kregen een kogel in hun nek, en daarna hoorde je er nooit meer over. Alle getuigen, vrienden, familie, werden veelal ook gedood, hun papieren vernietigd. Als onderzoeker heb je niets, behalve dan de schattingen en oral history van overlevenden.
Je vindt jezelf soms een parasiet: je leest hun bloed en tranen. En je gebruikt het. Ik moet afstand houden, want ik lees de verschrikkelijkste dingen: dood door verhongering, wrede verhalen over abortussen in de kampen. Dan moet ik echt een leespauze nemen. Maar sommige wreedheden kon ik me niet eens voorstellen. Urenlange executies, slachtingen, langzaam doodvriezen. Ik ben zelf joods; de holocaust zou ik zo nooit kunnen onderzoeken, dat zou echt te veel zijn.’
De Memorial-dossiers beperken zich tot getuigenissen van mensen die de organisatie uit eigen initiatief bezoeken en verder wat er per post binnenkomt. Door een grootscheepse enquete probeerden vrijwilligers meer systematisch informatie te verzamelen. Veel kampslachtoffers blijven echter zwijgen. En zij die spreken, dichten zichzelf soms een gewichtiger rol toe.
Adler constateerde dat kampslachtoffers al jaren zoveel mogelijk hulp bij elkaar zoeken. Er zijn officiele ontmoetingsbijeenkomsten. Maar wraakgevoelens en onverwerkte trauma’s - ook bij het partijkader - woekeren voort, en kunnen ieder moment tot uitbarsting komen. Adler pleit ervoor de onderzoeksresultaten expliciet ter lering aan nieuwe generaties voor te houden. Veel jongeren blijken onwetend over de omvang van de stalinistische terreur.
AUGUSTUS 1994. De Russische regering biedt plotseling 'schadeloosstelling’ aan. Slachtoffers en nabestaanden van de 'rode terreur’ krijgen hun huizen en bezittingen terug. Bij vernietiging van have en goed ontvangt de gedupeerde maximaal 1700 gulden compensatie, zo luidt het document. Na meerdere toezeggingen in het verleden is dit de eerste staatsregeling voor het leed sinds Chroesjtsjov.
Slechts weinigen zullen overigens van de regeling profiteren. Overlevenden moeten zeer gedetailleerde beschrijvingen van de confiscaties leveren. Die lopen terug tot de jaren van de Stalin-terreur. Oorlog, gedwongen volksverhuizingen en jarenlange hongersnood verslonden sindsdien hele stambomen; de achtergebleven familie van de Goelag-doden herinnert zich vaak niets van het ouderlijk huis. Bovendien is dit geld zelfs in het verpauperde Rusland niet zaligmakend.
'Schadevergoeding heeft minder prioriteit bij slachtoffers’, zo ervoer historicus Peter Westerveld tijdens zijn onderzoek ter plaatse. 'Mensen willen een officiele genoegdoening van hogerhand. Ze willen dat de Partij, de staat stelt: wij zijn schuldig geweest. Allemaal, niet alleen Stalin. De juridische vernietiging van hun strafzaak is voor hen een papieren kwestie. Het belangrijkste is dat de overheid hun goede naam en eer herstelt.’
In 1987 onthulde de 22-jarige historicus en Memorial-activist Dmitri Joerasov dat in de jaren vijftig en zestig welgeteld 612-duizend slachtoffers waren gerehabiliteerd. Hij verzamelde gegevens van 143-duizend kampslachtoffers (stand: 1993). Westerveld: 'Het zijn mensen die heel intensief archiveren, ze zijn enorm gedreven om het nu allemaal boven water te krijgen. Ze zijn vaak zelf slachtoffer geweest en zijn daardoor gebrand op genoegdoening, met name tegenover de KGB.’
Binnenkort promoveert Westerveld op juridische rehabilitatieregelingen voor slachtoffers van het stalinisme. Zijn promotor, dr. A. Goudoever, concentreerde zich met Angst voor het verleden: Politieke rehabilitaties in de Sovjetunie na 1953 in 1983 vooral op de kopstukken. Westerveld vergelijkt de regelingen en procedures onder Chroesjtsjov en Gorbatsjov, en is net als Adler veel meer geinteresseerd in de gewone Rus.
Slachtoffers zijn in golven gerehabiliteerd, stelde Goudoever al. In beperkte mate na Stalins dood en massaal onder Chroesjtsjov. Maar het aantal amnestieen bleef beperkt, men verzandde vaak in de bureaucratie. Vanaf 1986 vond eerherstel meer systematisch plaats. Formeel was rehabilitatie onder Chroesjtsjov in detail geregeld. De overheid hanteerde bijvoorbeeld regelingen om huisbezittingen terug te geven. Officiele rehabilitatie was een belangrijke voorwaarde voor een pensioen. Daarnaast werd ze door medeschuldigen verschaft uit lijfsbehoud of ter legitimering van het gezag. 'Het verleden is een functie van de actuele politiek’, concludeerde Goudoever in zijn studie.
Voor zijn onderzoek benaderde Westerveld Memorial. Die bezorgde hem tot voor kort geheime decreten. De activisten brachten hem in contact met slachtoffers die in de krappe onderkomens van Memorial hun verhaal kwamen doen. Met die levensverhalen toetst hij de praktijk van juridische en maatschappelijke rehabilitaties. Westerveld: 'Het bleek heel moeilijk om te peilen hoeveel waarde die mensen aan de rehabilitatie hechten. Slachtoffers zeggen vaak: weet jij eigenlijk wel waarover je het hebt? Nee, die ervaring heb je dus niet. Je kunt alleen begrip tonen. De stemming onder de burgers is: laten we de grote schoften pakken, voorzover die nog vrij rondlopen. Laat het kleine grut lopen, publiceer hun namen. Verder boeit het de meesten niet zoveel meer. Tegelijkertijd merk je dat de archieven voor hen belangrijker worden. Ook voor de overheid. Die moet zich bij zijn besluiten over personen toch ergens op baseren.’
Goudoever constateerde dat de overheid formeel weinig met burgerklachten over moreel onrecht aankon. Ambtenaren handelden strikt juridisch: alleen de staat had een moreel recht volgens de grondwet. Voor de burger kon ze slechts de materiele consequenties herstellen. En daar wachtten de bureaucraten.
Westerveld merkte tijdens gesprekken dat ex-gevangenen vooral de kampperiode met zich meedragen. De jaren na hun gevangenschap beleefden ze minder intensief. Ze kwamen thuis temidden van vernietigde families, angstige vrienden of een totaal verwoeste omgeving, meestal zonder baan. Na jaren in een werkkamp dachten velen er hun hele leven te moeten slijten. Het kamp, de cel werd hun huis. Toen de poorten voor hen open gingen - de administratieve afhandeling liet vaak nog jaren op zich wachten - waren zij totaal onvoorbereid, concludeerde de Russische onderzoekster Irina Sjtsjerbakova in 1992. Tallozen bleven nabij de kampen wonen. De oude omgeving was immers vernietigd, en in iedere nieuwe omgeving werden zij gewantrouwd. Zij waren gebrandmerkt.
De opgedane ervaringen tijdens totalitaire repressie raken slachtoffers moeilijk kwijt. Westerveld: 'In Moldavie nam ik een slachtoffer mee naar mijn hotel. Dan denk je: kan ik die mensen daar trakteren? Het eerste wat die man zei was: Blijf praten. Hij heeft de hele kamer op zijn knieen onderzocht op afluisterapparatuur. Bed van de muur getrokken. Lampjes nagekeken. Radio nagekeken. Bij het gesprek zette hij de radio luid aan. Uiteindelijk zijn we naar een park gegaan.
Je hebt onnoemelijk veel geduld, creativiteit en een grote kennissenkring nodig. Je moet ook niet denken dat je daar het wiel gaat uitvinden. Als een Russische historicus iets weet, moet je erop af gaan. Ik probeer wel meer wetenschappelijke controles in overweging te nemen. Sommige Russische historici gaan naar westerse maatstaven iets soepeler met de wetenschappelijke verantwoording van feiten om. Mensen van naam vallen elkaar ook voortdurend af. Het probleem is dat hun morele gelijk overloopt in wetenschappelijk gelijk. Dan is de situatie: gaat u zitten, fijn dat u er bent, dit is het verhaal. Aan kritische vragen wordt voorbijgegaan. Dat noteer je, en vervolgens probeer je alles te controleren. Soms kloppen hun wetenschappelijke conclusies aanwijsbaar niet.’
HOE BELANGRIJK persoonlijke contacten in de voormalige Sovjetunie zijn, ervoer Kloosterman dezer dagen. Opnieuw kreeg het IISG uniek materiaal in handen. In het Staatsarchief van de Russische Federatie bleek onbekend materiaal van de gevreesde NKVD te liggen: handboeken en legale kampkranten. De redactie van enkele kampperiodieken werd gevoerd door NKVD-ers en vervolgden tezamen. Het bevat macabere artikelen als 'hoe stuur ik mijn waakhond op gevangenen af’.
Kloosterman: 'In het officiele archief zijn deze kampkranten heel lang geheim gehouden. Het is een hele bizarre vorm van publiciteit als je het afzet tegen het stalinisme met zijn miljoenen doden. Welke onderzoeker bedenkt het nu dat de NKVD'ers in de arbeidskampen, waar ze mensen toch aan hun einde brachten, collegiaal met kampbewoners een krantje volschreven? Nee, dit verfijnt het beeld van de Goelag Archipel wezenlijk.’
Met dank aan Pauline Roumans