Fijne bondgenoot

Terreurstaat Saoedi-Arabië

De Saoedische koninklijke familie blijkt met honderden miljoenen dollars gewelddadige fundamentalisten te hebben gesteund. En waarschijnlijk wortelen de daders van de aanslagen in de Saoedische oppositie. Bush heeft een enorm probleem met zijn belangrijkste bondgenoot in het Midden-Oosten.

In zijn toespraken houdt George W. Bush het graag zo simpel mogelijk. Het is oorlog, en het terrorisme is de vijand. Eerste aanvalsdoel: het al-Qaeda-netwerk van Osama bin Laden dat de aanslagen van 11 september liet plegen. Volgens het oorlogsevangelie van Bush is fase één van de strijd pas beëindigd als Osama en zijn luitenanten hebben geboet — met of zonder justitiële tussenkomst — en het Afghaanse Taliban-regime onder leiding van mullah Omar, dat Bin Laden onderdak verschafte en hem trainingskampen liet exploiteren, van de aardbodem is weggevaagd. Hetzelfde lot wacht elk ander regime dat steun verleent aan terroristen. Een simpele visie die niet meer houdbaar is nu blijkt dat in Saoedi-Arabië, Amerika’s belangrijkste en ogenschijnlijk trouwste bondgenoot in het Midden-Oosten, tot op het hoogste niveau wordt geheuld met Amerika’s doodsvijanden. In de 22 oktober-editie van The New Yorker onthult de vermaarde onderzoeksjournalist Seymour Hersh dat de Amerikaanse National Security Agency vanaf 1994, en waarschijnlijk al eerder, het dataverkeer heeft afgetapt van de Saoedische koninklijke familie, geleid door koning Fahd. Daaruit blijkt volgens Seymour, die beschikking had over NSA-rapportages en die enkele hoge functionarissen anoniem citeert, dat «honderden miljoenen dollars» van de Saoedi’s vloeiden «naar Osama bin Ladens al-Qaeda en andere extremistische groepen in Afghanistan, Jemen, Centraal-Azië en de regio van de Perzische Golf» — waaronder Hamas.

Saoedi-Arabië zou volgens Bush’ eigen evangelie, met als strengste dogma «wie niet voor ons is, is tegen ons», binnenkort dus ook in de Amerikaanse vuurlinie moeten liggen. Dat maakt de «war on terrorism» in één klap een zeer gecompliceerd fenomeen dat de term oorlog waarschijnlijk ernstig zal doen devalueren. Een gewapend conflict met Saoedi-Arabië is immers ondenkbaar. Het land herbergt het allerheiligste van de islam — zowel Mekka als Medina ligt in Saoedi-Arabië — en is de grootste olieproducent ter wereld.

De Franse terrorisme-expert Ali Laïdi schetst in Le Monde Saoedi-Arabië als bakermat van terreur. Hij herinnert aan de gewapende bezetting in 1979 — het jaar van de islamitische revolutie in Iran — door tweehonderd fundamentalisten van de Grote Moskee in Mekka. De actie kon slechts ongedaan worden gemaakt met behulp van Franse elite-eenheden, en de meeste terroristen werden onthoofd. Nu zou het de stationering zijn van Amerikaanse en Britse soldaten op de heilige Saoedische grond sinds de invasie van Koeweit door Saddam Hoessein in 1991, gecombineerd met de sterk toegenomen afkeer van de Amerikaanse bescherming van Israël sinds de tweede intifidah die vanaf vorig jaar september woedt, plus de aanhoudende bombardementen van Irak door Britse en Amerikaanse vliegtuigen en het voornamelijk aan Amerikaanse halsstarrigheid toegeschreven, wurgende VN-embargo tegen dat land, die in Saoedi-Arabië een voedings bodem hebben geschapen voor terreur door een fundamentalistische oppositie. De Saoedi’s zijn wahabitische moslims, aanhangers van een orthodoxe en autoritaire islam — net als de Taliban en Osama bin Laden. In samenwerking met de Pakistaanse geheime dienst steunden de Saoedi’s Osama en de Taliban tot midden jaren negentig, onder meer via speciaal daartoe in het leven geroepen «liefdadigheidsinstellingen».

Zoals het er nu naar uitziet, hadden veertien van de negentien kapers die zich in de VS te pletter vlogen de Saoedische nationaliteit. Volgens Robert Soeterik, als Midden-Oosten expert verbonden aan de Middle East Research Associates (Mera) in Amsterdam, kan betrokkenheid van Saoedische groepen grote gevolgen hebben: «De huidige bombardementen vinden plaats op grond van wat Bush en Blair zeggen over directe links met Osama bin Laden. Als hij het niet gedaan heeft en men wéét dat, dan is de internationale rechtsorde in het geding. Je kunt niet een land aanvallen, een regime proberen af te zetten en iemand pogen te liquideren terwijl je weet dat hij niet heeft gedaan wat je hem aanwrijft. Dat de Saoedische oppositie achter de aanslagen zit is heel wel mogelijk, al is het niet bewezen. Maar zelfs maar de mogelijkheid wordt weggedrukt om politieke redenen.»

Saoedi-Arabië is niet alleen van belang wat betreft de olieproductie, maar ook wegens zijn afname van Amerikaanse wapens (voor zo’n dertig miljard dollar sinds 1991) en de militaire bases waar GI’s zijn gelegerd. Een stabiel, oliepompend en handeldrijvend Saoedi-Arabië is de belangrijkste pilaar onder het zo belangrijke Amerikaanse Midden-Oostenbeleid.

Al meteen in 1991 vonden in Riad massale demonstraties plaats tegen de aanwezigheid van Amerikaanse troepen. En zelfs het ondenkbare gebeurde in het dictatoriaal bestuurde land: vooraanstaande islamisten en geestelijken boden een petitie aan koning Fahd aan waarin ze juridische, politieke en militaire hervormingen vroegen. Hun verzoek een algemene dienstplicht in te stellen, waardoor volgens hen een islamitisch leger op de been kon worden gebracht van 500.000 man (genoeg om zich zonder Amerikaanse hulp tegen Saddams agressie te wapenen), kon op grote bijval onder de bevolking rekenen. Maar de koning boog niet. Hervormingen zouden het bewind van hem en zijn prinsen er immers niet sterker op maken.

Intussen groeide de oppositie. Onder meer die van Salman al-Awdah, een jonge oelama, die de Beweging voor Islamitische Opstand stichtte. Toen hij in 1994 werd gearresteerd, stond er een «Leger der gelovigen» op dat dreigde met aanslagen op westerse doelen binnen en buiten Saoedi-Arabië. Een geluidstape van Al-Awdah, waarin hij de elitaire Arabische jeugd opriep tot zelfmoordacties tegen de «ongelovigen», bereikte in extreme kringen een ware cultstatus. Een preek over de dood, was de titel. In 1995 en in 1996 vonden twee aanslagen plaats in Saoedi-Arabië, waarbij in totaal 26 doden, meest Amerikanen, vielen. In de huizen van de kapers van 11 september is materiaal gevonden van al-Awdahs beweging.

Volgens Laïdi is de kans klein dat de leden van de Saoedische oppositie in contact staan met Bin Laden en zijn netwerk. In 1994 werd hem zijn Saoedische nationaliteit ontnomen en vanaf die tijd beschouwt de Saoedische geheime dienst, die hem in 1995 nog poogde te liquideren in Soedan, elke toenadering van een Saoedi tot Bin Laden als hoogverraad, een vergrijp dat met de dood wordt bestraft. Dat de NSA onderzoeksjournalist Hersh, onder meer bekend van zijn onthullingen omtrent de Amerikaanse massamoord in het Vietnamese dorp My Lai, voorzag van materiaal, kan te maken hebben met oud zeer. Soeterik: «Saoedi-Arabië heeft stelselmatig geweigerd de daders van de aanslagen in 1995 en 1996 uit te leveren. Dat heeft enorme wrevel gewekt in de VS, met name bij de geheime diensten.» Bronnen in Hersh’ artikel stellen dat de Saoedi’s ook nu weer uitermate non-coöperatief zijn. Kennelijk moet er informatie worden afgedekt, meent Ali Laïdi. Of heeft men sympathie voor Bin Laden? Twee weken voor de ramp werd prins Turki, hoofd van de Saoedische geheime dienst, ontslagen door koning Fahd omdat hij zich niet genoeg inspande bij het opsporen van Osama. Soeterik: «Hij heeft sympathie voor diens ideeën, net als velen uit de economische elite in Saoedi-Arabië en de Perzische Golf. Dáár komt een groot deel van het geld vandaan waarmee al-Qaeda wordt gefinancierd.»

Het stationeren van Amerikaanse troepen op heilige Saoedische moslimgrond werd ingegeven door het enorme belang van de Saoedische olie voor de wereldeconomie. Soeterik: «De Saoedi’s hebben een overcapaciteit die ze kunnen inzetten om prijsschommelingen te voorkomen. Met deze swing production hebben ze de westerse economieën al aardig wat diensten bewezen. De Golfoorlog kon daardoor bijvoorbeeld zonder grote economische problemen worden gevoerd.»

Deze enorme economische verantwoordelijkheid op de schouders van een uitgehold regime is de catch. Seymour Hersh meent dat het juist de zwakte van Fahds regime is dat het ertoe aanzette ruime financiële steun te bieden aan fundamentalisten: om een opstand af te kopen. Uit het afgetapte dataverkeer blijkt hoe corrupt en immoreel het regime is. Kroonprins Abdoelah sprak aan de telefoon openlijk over steekpenningen en de minister van Binnenlandse Zaken, Prins Najef, beval ondergeschikten bewijs voor het inhuren van prostituees ten behoeve van leden van de koninklijke familie, uit handen van de politie te houden.

Ook op andere gebieden is de koninklijke familie uiterst kwetsbaar. Hersh ontdekte het bestaan van een ultrageheim CIA-rapport waarin werd gesteld dat terroristen met minimale middelen en wat explosieven de toegang tot de Arabische olie gemakkelijk twee jaar konden belemmeren. Dat zou desastreus zijn voor de wereldenergiemarkt — volgens een ingewijde in The New Yorker zou de olieprijs ten gevolge van zo’n aanslag met zeker vierhonderd procent stijgen, waardoor de kapitalistische machinerie nagenoeg tot stilstand zou komen.

Bush en Fahd zijn tot elkaar veroordeeld. De Verenigde Staten zijn net zo gegijzeld door de noodzaak van stabiliteit in Saoedi-Arabië als de koninklijke familie zelf. Openlijke, harde actie van Bush zou het Saoedische regime verzwakken, en daardoor Amerikaanse economische belangen schaden en fundamentalisten à la Salman al-Awdah in de kaart spelen.

Dat de betrekkingen hoe dan ook een knauw hebben gekregen, staat vast. Vorige week weigerde de New Yorkse burgemeester Giuliani een gift van tien miljoen dollar voor de WTC-slachtoffers uit handen van de Saoedische prins Alwalid bin Tallal. Diens gift ging vergezeld van kritiek op het Amerikaanse buitenlandbeleid. Volgens Soeterik is de weigering een enorme belediging. «Wij zouden dat al een schoffering vinden; in Saoedi-Arabië is dit echt ongehoord. Zeker in het licht van de huidige spanningen. Het zal de onderlinge betrekkingen geen goed doen.» Hetzelfde geldt voor de onthulling dat de Amerikanen al zeker zeven jaar op de hoogte zijn van intieme details van de Saoedische prinsen, hoeders der islamitische heiligdommen.

Een openlijke botsing met de Saoedi’s kan Bush tijdens zijn Afghaanse veldtocht niet gebruiken. Een flinke dosis wonderdiplomatie des te meer.