H.J.A. Hofland

Terrorisme als afstandbediening

Op zaterdag 10 juli opende De Telegraaf met een zeskolomskop in een vette, ik schat 178 punts letter: TERREURALARM. «Nederland dreigt te worden getroffen door een golf van aanslagen». Zoals we al eerder van minister Remkes hadden gehoord, werden extremistische moslims al lang scherp in de gaten gehouden. Nu wees een en ander erop dat ze serieuze plannen hadden, en dus: extra bewaking, onder meer van de Schipholtunnel, de Tweede Kamer, nog meer objecten in de weke onderbuik. «Volgens een bron dicht bij het kabinet is bijna de op één na hoogste alarmfase van kracht: geel met een vleugje oranje», aldus De Telegraaf. In Amsterdam gedroegen die dag de mensen zich niet anders dan anders. Terwijl ik dit schrijf is het alarm nog steeds van kracht. De natie is niet onder de indruk.

Na 11 september liet Osama bin Laden weten dat hij «de Amerikanen nooit meer een ogenblik van veiligheid zou gunnen». Die illusie kan hij de eerste weken, maanden na de aanslag hebben gehad, maar dan heeft hij het zelfherstellend vermogen van de Amerikaanse samenleving onderschat; en niet alleen die. Geen enkele samenleving is in staat permanent in een maximale staat van angst en paraatheid te leven. Die toestand van de collectieve geest moet regelmatig door verrassend geweld van buiten worden vernieuwd. Als dat niet gebeurt, herneemt het leven zijn normale loop. Dat is bewezen in de grote moderne oorlogen die nog op de ouderwetse manier werden gevoerd. Klonk het luchtalarm, dan kreeg je negen van de tien keer waar voor je geld, in de vorm van echte bommen, of in ieder geval met het uitzicht op echte bommenwerpers. Maar zelfs die oorlogen zijn, hoe absurd dat later ook mag klinken, in hun directe gevolgen plaatselijk. Er moet heel veel gebeuren voor de capitulatie volgt, en daarop de Stunde Null.

Zelfs geroutineerde netwerken van terroristen blijken nu niet in staat te zijn met enige regelmaat, of een frequente onregelmaat, hun aanslagen te plegen. De gaten in de verdediging worden steeds beter gestopt, zoals iedere luchtreiziger of bezoeker van een hoog gebouw weet. Het openbare leven in het Westen wordt steeds fijnmaziger gepolitioneerd. Kennelijk heeft dat resultaat, al weten we niet welk. In deze resterende onbekendheid ligt de kracht, het bedrijfskapitaal van het terrorisme.

Omdat de aanval van 11 september in de verste verte zijn weerga niet heeft, is dit bedrijfskapitaal nog omvangrijk. Door het geweldig traumatische effect, versterkt door de mondiale publiciteit, is het terrorisme nog steeds in staat met een relatief minimale inspanning maximale resultaten te bereiken, en zodoende het Westen aan een zekere mate van afstandbesturing te onderwerpen. De politiek in het Westen, geholpen door de publiciteit, krijgt meer de neiging tot extreme reacties, die het doel van het terrorisme bevorderen: het zaaien van angst, de ontregeling van de westerse samenleving.

Maar naarmate de verdediging doeltreffender wordt, geldt voor het terrorisme de wet van de verminderende meer opbrengst. Of lijkt dat maar zo? Sinds de aanslag in Madrid moeten we nog meer dan vroeger bij het terrorisme rekening houden met het zwartste scenario. Gesteld dat in deze Nederlandse alarmtoestand van geel met een vleugje oranje in de maandagochtendspits een treinstel van de Amsterdamse metro onder het Centraal Station in de lucht was gevlogen, wat dan? Was er een volkswoede ontstaan die zich gericht had tegen alles wat met de islam te maken heeft? Of gesteld dat, zoals in Spanje, de verkiezingen voor de deur stonden, had de meerderheid van de kiezers op de partij gestemd die het Nederlandse contingent uit Irak wil terughalen? Wat denkt u zelf?

Hoe dan ook, het terrorisme beschikt over een afstandbediening. Maar terwijl het per aanslag daarvan gebruik maakt, weet het niet in welke richting het stuurt. Volgens Newsweek wordt in Washington gewerkt aan een noodplan om de presidentsverkiezingen van 2 november uit te stellen, voor het geval dat kort tevoren een mega-aanslag type-11-september wordt ondernomen. Tom Ridge, minister van Veiligheid, heeft al gewaarschuwd dat tegen die tijd Amerika nog meer op zijn hoede moet zijn. Zo’n noodplan heeft een politieke betekenis, want blijven de aanslagen uit, dan is dat aan de voorzorgen van de zittende regering te danken. Gebeurt er toch iets van enige omvang, dan is het nog de vraag wie de schuld krijgt. In ieder geval komen er meer maatregelen, om de veiligheid nog «hermetischer» te maken, wie er ook gekozen mag worden.

Kritische Amerikaanse commentatoren begonnen bij vorige alarmeringen steeds duidelijker te vermoeden dat niet Osama of een van zijn vrienden opnieuw op het punt stond een aanslag te ondernemen, maar dat de regering van tijd tot tijd alarm sloeg om de mobilisatiestemming erin te houden. Naarmate er vaker alarm wordt geslagen, waarna het loos blijkt te zijn, neemt de geloofwaardigheid af. Tot het weer zo ver is.

Daadwerkelijke terreur en, in het vervolg daarop, geloofwaardige dreiging met terreur hebben drie resultaten: 1. organisatorische ontregeling in het doelgebied. Die is incidenteel, gaat snel voorbij. 2. toenemende duurzame politionering van het openbare leven, polarisering in de binnenlandse politiek, en in de buitenlandse de bereidheid tot verdere inmenging in de «mislukte staten» waar de terroristen hun uitvalsbases hebben. Althans, dat wordt verondersteld. En dan het derde: de toenemende vereenvoudiging van de westelijke politiek tot een «keihard aanpakken», waar ook ter wereld. Irak als model. Met deze eenvoud als panacee wordt het Westen in zijn geheel langzaam naar rechts gedreven. Intussen ontwikkelt Irak zich tot het model van een politiek-militaire Verelendung. Is dit de bedoeling van het fundamentalistisch terrorisme?