Literatuur en terreur

Terrorist wint, schrijver verliest

Het cruciale verschil tussen de terrorist en de romanschrijver is dat de eerste het verleden en de menselijke ervaring wil wegbombarderen ten gunste van een toekomst zonder herinnering of cultuur, terwijl de tweede in stukken en brokken het verraderlijke geheugen van de mensheid blijft oproepen, vormgeven en conserveren.

Na het opblazen van torenhoge boeddhabeelden in Afghanistan door de Taliban was het World Trade Center aan de beurt. Want we leven in een beeldcultuur én in een anti-beeldcultuur. Beelden spreken als je goed kijkt. Als er oorlog uitbreekt, wordt er meteen ook een culturele strijd uitgevochten. Want wat vermag de verbeelding nog na 11 september 2001, de dag waarop de meest fantastische nachtmerrie beeld voor beeld leek te worden afgetroefd? Na de ineenstorting van de WTC-tweeling torens waar honderd nationaliteiten samenwoonden — Apocalypse Now op Manhattan — is het al talloze keren beweerd. Wat te zeggen of te schrijven na een door men sen gepland inferno waarin duizenden levens opgingen?

De schoonheid heeft haar gezicht wéér verbrand; laten we het over de schoonheid hebben.

Ik kijk naar een foto van André Kertész die het omslag siert van een Grote Amerikaanse Roman. Op de voorgrond in de schaduw is een toren van een katholieke kerk te zien met een groot kruis op haar puntdak; daarachter doemen in mistig licht de tweelingtorens van het World Trade Center op, gehuld in witte wolken waarboven de naam van de schrijver prijkt: Don DeLillo. Maar het christelijke kruis net onder het midden van de foto — waar in gouden letters UNDERWORLD staat — is minder met symboliek beladen dan de grote vogel die zich zwart aftekent tegen de New Yorkse lucht. In glijvlucht lijkt die vogel recht op de top van het WTC af te vliegen.

Deze foto is echt gemaakt, ik kijk er met andere ogen naar. De aanslag is voorspeld, de kunst is niet monddood, de literatuur heeft het gezien en gezegd, al een eeuw geleden, en later weer, keer op keer: toen en nu, en straks als al die honderden schrijvers op Manhattan en elders hun moed verzamelen en hun mond opendoen.

Op 15 februari 1894 probeerde de anarchist Martial Bourdin de sterrenwacht van Greenwich in Groot-Brittannië op te blazen, symbool van de moderne techniek en wetenschap die het kapitalisme diende. Het stabiele Edwardiaanse Engeland moest ondermijnd worden. Joseph Conrad — de schrijver die als geboren Pool een haat-liefdeverhouding had met anarchisten en opstandig bleef tegenover Rusland en Duitsland — schreef er een psychologisch-politieke detective over die school heeft gemaakt bij zulke uiteenlopende auteurs als Greene, Koestler, Orwell, Sartre, Camus (zijn toneelstuk Les Justes, 1949), Le Carré, Ondaatje (zijn roman In the Skin of a Lion, 1987), Pynchon (Gravi ty’s Rainbow, 1973) en DeLillo: The Secret Agent (1907). In die fascinerende en profetische roman, geïnspireerd op Dostojevski’s Boze geesten, loopt een professor in Londen rond, spelend met het ontstekingsmechanisme van een bom in zijn broekzak. Voor Conrad-biograaf Jeffrey Meyers symboliseert die koel berekenende nihilist «de gevaren van anarchistische vrijheid en de absurditeit van de moderne mens die (als kamikazepiloten en Arabische terroristen) hun eigen dood met zich meedragen; en dat de wens van de professor om de zwakken uit te roeien (een echo van Kurtz’ ‹Uitroeien al die beesten!› in Heart of Darkness) een genocide-manie zou kunnen inluiden».

Aan het slot van The Secret Agent, als de bomaanslag beraamd door agent-provocateur Adolf Verloc mislukt is, laat de professor zijn cynisme de vrije loop. Voor hem zijn de maatschappelijk zwakken de bron van alle kwaad. Die «slaafse meelopers» hebben de meerderheid. Om vooruitgang te kunnen boeken, dient die stompzinnige massa te worden uitgeroeid. «Eerst de blinden, dan de doven en de stommen, dan de kreupelen en de lammen — enzovoort. Met iedere schandvlek, iedere ondeugd, ieder vooroordeel, iedere conventie moet definitief worden afgerekend.» Het is deze schriele, oude en onomkoopbare professor zonder toekomst die zijn beelden van ondergang en vernietiging blijft koesteren. De laatste zin van Conrads roman toont hem als een onzichtbare vijand te midden van het wandelende Londense publiek: «Hij passeerde zonder argwaan te wekken en dodelijk, als de pest in de straat vol mensen.»

Het is de Eerste Secretaris van de Russische Ambassade in Londen, meneer Vladimir, die terrorisme wil uitlokken om zo de anarchis ten die tegen het tsarisme hebben gecom plotteerd Engeland uit te krijgen. In de monoloog van deze diplomaat, gericht tot spion Verloc, wordt Engeland tot de orde geroepen «met zijn sentimentele eerbied voor individuele vrijheid». Een reeks aanslagen is nodig, houdt Vladimir zijn loopjongen Verloc voor, om de massa angst aan te jagen en de openbare mening te beïnvloeden ten gunste van een wereldwijde wetgeving vol onderdrukking. Vladimir verwoordt de theorie van het terrorisme die Verloc in de praktijk moet brengen. Zijn alleenspraak weerspiegelt het geharnaste, destructieve denken van de terrorist die verdwijnt in een gesloten ideologie. Geslaagde aanslagen, aldus Vladimir, zijn schokkend en doeltreffend als ze gericht zijn op gebouwen die wetenschap en techniek symboliseren. Presidenten zijn er al genoeg vermoord, laat Conrad de Russische diplomaat zeggen.

Vladimirs «filosofie van het bommengooien» is gericht op onroerend goed dat «iets onverwoestbaars» lijkt. «Een bomaanslag moet (…) verder gaan dan de bedoeling van wraak of terrorisme. De opzet moet puur verwoestend zijn. (…) Je aanslagen richten zich op iets buiten de normale menselijke passies — dát is het antwoord (…) Maar wat moet je zeggen over een daad van vernietigende wreedheid, zo absurd dat ze onbegrijpelijk, onverklaarbaar, haast ondenkbaar is; krankzinnig, in feite? Krankzinnigheid alleen al is echt angstaanjagend, aangezien je je daar niet tegen kunt verweren door dreigementen, overreding, of steekpenningen.»

De monoloog van Conrads Russische diplomaat is woord voor woord toepasbaar op de kamikazepiloten van de 21ste eeuw; op de Big Brothers, Grote Roergangers, zoetgevooisde goeroes, superayatolla’s of Osama bin Ladens in de onderwereld van de geschiedenis; op de samenzweerders die de beurzen manipuleren om hun terreurdaden te financieren; op de fundamentalistische nihilisten die internet met virussen bestoken zodat het digitale verkeer op het wereldwijde web vertraagt en misschien tot stilstand komt. New York ligt in Nederland, Vietnam ligt weer in Amerika. De vijand, dat wil zeggen de niet-aanspreekbare fundamentalist wiens vernietigende zendingsdrang dodelijk eenrichtingsverkeer blijft, beweegt zich als de spreekwoordelijke speld in de hooiberg zonder vaste plaats of verblijfsvergunning. Hij bedreigt de «ongelovigen» en maakt cd-roms waarop wordt uitgelegd hoe je heidenen kunt doden. Hij verwoest het culturele verleden (kerk- en moskeehoge boeddhabeelden) en vernietigt de geschiedenis. Hoe kunnen hele volkeren zich massaal tot één godsdienst bekeren? Misschien «wanneer de mensen geen idee van zichzelf hebben en geen middelen kennen om het verleden te begrijpen of te achterhalen» (V.S. Naipaul in Beyond Belief, 1997). Het gaat na 11 september 2001 om het behoud van beschavingen, om de bescherming van opgebouwd cultureel erfgoed.

Maar de Terroristische Internationale heeft daar geen boodschap aan. De paranoia hangt in de lucht. De Verenigde Staten zijn geen pastorale meer, om een roman van Philip Roth te parafraseren, maar een kwetsbaar en gewond land waar de achtervolgingswaanzin als een kerosinevlammenzee de Amerikaanse ziel heeft verschroeid, een ziel die wortels heeft in het oude Europa. En dat allemaal omdat de Terroristische Internationale een droom heeft, dat wil zeggen een nachtmerrie waaruit de geschiedenis nog moet ontwaken. Zoals een oude, afgeleefde terrorist het in The Secret Agent omschrijft: «Ik heb altijd gedroomd (…) van een groep mannen, onwankelbaar in hun besluit om alle scrupules in de keuze van middelen overboord te zetten, sterk genoeg om zich openlijk vernietigers te noemen, en vrij van de smet van dat berustende pessimis me waar de wereld aan te gronde gaat. Geen medelijden met wat ook ter wereld, zichzelf inbegrepen, en de dood eens en voor al in dienst van de mensheid — dát had ik zo graag gezien.»

Wij hebben het een eeuw nadat Joseph Conrad het opschreef, gezien. En we hebben het bijna dertig jaar geleden gelezen toen Thomas Pynchon Gravity’s Rainbow schreef, een roman waarin de V2, het laatste nazi-vergeldingswapen, en de moderne rakettechniek dood en verderf zaaien. «Een gil komt gierend door de hemel. Dat is al eerder gebeurd, maar deze laat zich met niets vergelijken. Het is te laat. De Evacuatie is nog in gang, maar het is allemaal theater.» Deze openingszinnen van Pynchons monumentale roman krijgen opeens een macabere actualiteit en verwijzen meteen naar de verwarring rond feit en fictie: is wat we zien en horen wel echt, en in welke historische richting duwen angst en argwaan ons?

Stel dat de massa niet in beweging komt, niet ontvankelijk is voor angst? Die twijfel knaagt soms aan het «betweterig fanatisme» van de professor zonder toekomst in The Secret Agent. «Zulke momenten van twijfel krijgen alle mensen wier ambitie mikt op een directe greep op de mensheid: kunstenaars, politici, denkers, hervormers, of heiligen.»

De literatuur laat zich niet het woord ontnemen, want de woordkunstenaars in Amerika, en wat aarzelender in Europa, begeven zich steeds meer op het terrein dat te lang bezet is gehouden door documentairemakers en onderzoeksjournalisten. Wie meent dat literatuur en terrorisme elkaar niet verdragen moet maar eens te rade gaan bij de profetische roman Mao II (1991) van Don DeLillo, dezelfde schrijver die op het omslag van zijn magnum opus Underworld (1997) Kertész’ foto van het WTC in een onschuldige mist wolk liet zetten.

Mao II gaat over terreur in verschillende gedaanten, over de manipulerende kracht van beelden en over wat de schrijver daar tegen over kan stellen. Iedereen in Mao II is op zoek naar het licht, dat wil zeggen God, de verlichting van de dood, de flits van artistiek inzicht of de dageraad van de politieke utopie, voor iedereen verplicht en onder de tirannieke leiding van een Big Brother of Grote Roerganger. «De toekomst is aan de massa», luidt de slotzin van de proloog op een moordend verhaal waarin een geïsoleerd levende schrijver, Bill Gray, uit zijn tent wordt gelokt en ten slotte door zijn uitgever wordt verleid te pleiten voor een in Beiroet gegijzelde Zwitserse dichter. Het is die massa die al in Conrads The Secret Agent de stuipen op het lijf wordt gejaagd.

Zolang de westerse invloed zichtbaar is in het Midden-Oosten, zegt een van de gijzel nemers in een kapotgeschoten Beiroet, wordt ons zelfrespect en onze identiteit bedreigd. Waarna een tolk uitlegt: «Hij zegt dat men terreur gebruikt om onze mensen hun plaats in de wereld te geven. Wat vroeger door werk werd bereikt, verkrijgen we nu via terreur. Terreur maakt een nieuwe toekomst mogelijk. Alle mensen één. De mensen leven zoals nooit tevoren in de geschiedenis. Hij (de gijzelnemer Rashid — gb) zegt dat we de geschiedenis van het ene op het andere moment maken en veranderen. De geschiedenis is niet het boek of het menselijk geheugen. ’s Morgens zetten we de geschiedenis in elkaar en na de lunch veranderen we die.»

In de vroege morgen van een zonnige herfstdag in 2001 vliegen er twee Boeings het WTC in en ’s middags ziet de wereld er anders uit. «Hoe erger hoe beter» was de slagzin van een neo-nazigroepje in het vroegere West-Duitsland.

Don DeLillo stelt de hamvraag die serieuze schrijvers onrustig maakt omdat zij zo goed weten dat eindeloos relativeren — dat wil zeggen jezelf én de gewelddadige geschiedenis wegcijferen door een ironische toon aan te slaan — uit den boze is en gewetenloze vrijblijvendheid uitlokt. DeLillo stookt het vuur hoog op als hij in Mao II iemand op de schrijver laat inpraten: «Door de gehele geschie denis heen is het de romanschrijver die affiniteit heeft gevoeld met de gewelddadige mens die in het duister leeft. Waar liggen je sympathieën? Bij de koloniale politiemacht, de bezetter, de rijke grootgrondbezitter, de corrupte regering, de militaristische staat? Of bij de terrorist?»

Wat moet de schrijver daarop zeggen? Schrijven is niet hetzelfde als politiek bedrijven. Tussen fanatieke droom en destructieve daad zou twijfelzucht tenslotte moeten overheersen. Wat terroristen winnen, verliezen romanschrijvers. Daar waar de terroristen het bewustzijn van de massa bombarderen tot er alleen angst overblijft, daar «raken de schrijvers vormen van sensibiliteit en denkkracht kwijt» zegt DeLillo’s schrijvers perso nage. Maar woordkunst kan wel degelijk «terreur» uitoefenen op oude vormen en gedachten die uitlopen op dwang en dictatuur. De gegijzelde schrijver in Mao II provoceert en profeteert als hij beweert dat het belangrijkste literaire vuurwerk tegenwoordig louter uit «explosies in de lucht en instortende gebouwen bestaat. Dat is de nieuwe tragische vertelling.»

Het staat er, het is niet onopgemerkt gebleven.

Mao II is een pleidooi voor de schrijver als gevaarlijke maar betrokken buitenstaander. Hij kan zelfs een halve terrorist worden door in zijn huid te kruipen en zich in te leven in totalitaire, fundamentalistische gedachtekronkels. Toch blijft Mao II als roman een «democratische kreet» vol ambiguïteiten, tegenspraken, geruchten en hints — iets wat nooit past in het denkraam van een terrorist van de daad.

Een zin in Mao II voert de lezer terug naar de samenzweringstheorieën rond de moord op John Kennedy in 1963: «Als je een ruimte met onschuldige gegijzelden vult, neem je de wereld zijn zin af en schep je een afgescheiden geestelijke toestand, de geest die alles wat buiten haar valt verteert en echte dingen door complotten en verzin sels vervangt.» Dat is de wereld van het gewelddadige geloof in een politieke of religieuze utopie, die alleen vorm kan krijgen als alle vrijheidlievende dwarsliggers en andere eigenwijze individualisten van de aarde zijn gevaagd.

Het cruciale verschil tussen de terrorist en de romanschrijver is dat de bommengooier of kamikazepiloot het verleden en de menselijke ervaring wil wegbombarderen ten gunste van een toekomst zonder herinnering of cultuur, terwijl de schrijver in stukken en brokken het verraderlijke geheugen van de mensheid blijft oproepen, vormgeven en conserveren. Want zonder dat verleden — het eindeloze historische verhaal waarin mensen hun botsende meningen uitvechten — is er geen blik op de toekomst te werpen.

Het woord is niet alleen aan de machthebbers en militairen die om «oorlog» roepen. Geen wilde maar gerichte actie in politiek en op papier is noodzakelijk om onszelf en «de anderen» te beschermen. De duizenden schrijvers in New York, Oud-Amsterdam en elders mogen niet zwijgen en dienen hun taal in al haar nuances en subtiliteiten te koesteren. Schrijvers durven immers te formuleren wat de angstige, vaak in zwart en wit denkende massa vergeet, verdringt of verzwijgt? Dat is een kwestie van beschaving; voor grove tweedelingen en simpele verketteringen kan geen plaats zijn. Daar waar vrijheden met gekaapte vliegtuigen worden bestookt, staat de intolerantie op de stoep. Dan stort het gebouw van de beschaving in, die mooie toren van Babel, en heeft de democratie geen dak meer boven haar hoofd.