Ger Groot

Tertium

Als dichters de waarheid liegen, zoals het gezegde wil, dan heeft de logicus een probleem. Waarheid en leugen sluiten elkaar nu eenmaal uit en tertium, zo wist Aristoteles al, non daretur. De dichter baant zijn derde weg dan ook graag in tegenovergestelde richting, waarin poëzie de kracht wordt van het suggestieve woord, dat des te minder spreekt naarmate het meer oproept. Het betekent nog wel, maar alleen door als woord ding te worden en zichzelf als taal prijs te geven.

De nulgraad van de verwijzing is het verborgen materialisme van deze poëzie, dat overheersender wordt naarmate zij etherischer en hermetischer probeert te zijn. Het voorlopige eindpunt ervan is een reeks woordbeelden. Haar eindpunt heeft ze bereikt in de naakte klankreeks van Hanlo’s Oote boe. Daarin communiceert ze niet meer, maar is nog slechts, als taal die alleen naar zichzelf verwijst en zich daarmee toont als louter voorwerp.

Zo ver willen de meeste dichters niet gaan. Zij doen mededelingen in hun poëzie, soms zelfs in grammaticale zinnen, totdat in het gedicht toch weer de ongerijmdheid binnensluipt. «Dubbele tong. En daarin de waanzin/ en de zin, het haast onuitspreekbaar tasten,/ onderwoords aftasten van een begin-/ nend geluk», dicht Hans Andreus in het laatste van zijn Sonnetten van de kleine waanzin. Een klinisch verslag, zelfs van zijn eigen gekte, is dat nauwelijks nog. Het woord raakt er aan zijn eigen ontbinding, maar blijft toch spreken en houdt zichzelf daarmee nog net vast in de taal.

Eenduidig is die gedichtencyclus zo weinig dat Andreus’ waanzin zich gemakkelijk laat lezen als de verliefde roes die van oudsher als een vorm van verbijstering geldt. Onder dat licht krijgt de cyclus bijwijlen een hoog cryptisch gehalte, maar de suggestieve lezing die de waarheid graag dichterlijk gelogen ziet stoort zich daar niet aan. Ze ervaart het geheimschrift als een vorm van onuitsprekelijkheid die ze in haar eigen – wellicht zelf verliefde – diepte maar al te graag terugziet.

Zo verblindt de liefde niet alleen zichzelf maar ook het lezen. Want wie van het ontstaan van deze cyclus weet, herkent daarin onmiskenbaar de psychiatrische lijdensweg die Andreus moest afleggen – al speelde verliefdheid daarin wel degelijk mee. In zijn bijdrage aan de onlangs verschenen essaybundel «De waarheid waar over ik niets weet te zeggen» (uitgeverij Damon) reconstrueert de filosoof Marc de Kesel deze voorgeschiedenis van Andreus’ sonnettencyclus en geeft deze daarmee zijn inzichtelijkheid terug. Vanuit de waanzin ontstaat de dichter.

Maar welke waarheid wordt erin uitgesproken? Niet die van een stemloze werkelijkheid waaraan alleen maar langs indirecte weg woorden kunnen worden gegeven, aldus De Kesel. Dat is het gangbare excuus voor de dichterlijke leugen, die vóór de taal het onuitsprekelijke ziet liggen, dat alleen door het gedicht kan worden opgeroepen. In zijn eigen ontregeling bekent het luidop de onmacht van het woord – dat het slinks niettemin ongedaan probeert te maken.

In die kwade trouw verbergt zich niet de waarheid van de poëzie, die oprechter is dan waarvoor ze doorgaat, aldus De Kesel. Haar onzegbaarheid ligt juist in de taal. Ze wordt gevormd door het loutere feit dat wij kunnen spreken en daarmee pas bestaan. Ik word pas ik wanneer ik «ik» zeg. In de taal sprong de evolutie uit haarzelf weg en schiep een nieuwe werkelijkheid die zich dagelijks verder ontvouwt. «Mensheid» zou daarvan de naam kunnen zijn, als laatste denotatum van ieder gedicht.

Zodra de poëzie dit besefte, is zij steeds enger om zichzelf heen gaan draaien, als zegbare samenballing van de onzegbaarheid zelf: het raadsel van de schepping. Elders in de bundel laat Theo de Boer hetzelfde doorklinken in Achterbergs gedicht Ultra montes: «Stof die de geest ontbiedt/ en andersom. Een spiegel is het niet:/ tenzij dit lied.» Uiteindelijk betekent het gedicht maar één ding. Het spreekt zijn tertium uit en verbaast zich steeds weer opnieuw over zichzelf.