Terug

Vriend B. bekijkt vakantiefoto’s op zijn iPad en stopt dan ineens. Hij houdt stil bij een foto die hij nog niet gezien had. Eentje die zijn vrouw heeft gemaakt. Het is een beeld dat weinig zegt en dat miljoenen mensen daarom direct herkennen: een Nederlander op vakantie. De krantlezende man in een korte broek, slippers aan, zittend in een tuinstoel. Op de achtergrond een blauwe voortent, wat struikjes, een bal in het gras. ‘Een icoon’, zeg ik enthousiast. ‘Ik mis alleen het biertje.’ Maar vriend B. kijkt er lang naar. Is hij dat? Dat non-descripte mannetje in die tuinstoel? Dat cliché met krant? Is dat wie hij is als hij even niet oplet? Zijn vinger glijdt haast gedachteloos richting ‘verwijderen’. Ik denk aan een stuk dat ik vorig jaar voor de radio schreef. Over de gestage teloorgang van de mislukte foto. ‘Wij zijn’, zei ik in het nagesprek tegen de presentator, ‘waarschijnlijk de laatste generatie met lelijke jeugdfoto’s. Iemand drukte af en pas weken later zag je wat er was vastgelegd: een open mond, rode ogen, een gezicht alsof je stond te poepen. Er viel vooraf niets bij te sturen en achteraf accepteerde je het beeld. Je legde je neer bij het toeval. Bij de lelijkheid.’ Dat gaat natuurlijk niet langer.

We zijn visueel veeleisend geworden. De moderne camera is ook al ontworpen om missers te voorkomen: die herkent een gezicht, zoekt de beste kant, werkt rode ogen bij en denkt na over compositie. We zien onze vakantie al tijdens onze vakantie terug en wissen wat niet bevalt: dat vetrolletje dat zo raar over je broek puilt, die foto waar je met gesloten ogen voor een fontein staat, die ene waar jullie allebei wel zestig lijken. Je keert terug met louter schitterende actiefoto’s, glasheldere landschappen en flatterende portretten. Prachtig. Stomvervelend ook. Vriend B. aarzelt. Dan schuift hij de foto opzij, zonder hem te wissen. Een portret van zijn vrouw komt in beeld. Roodverbrande neus, scheef lachje, een pukkeltje op haar kin. Ze kijkt net op uit een boek. ‘Die is mooi’, zeg ik. ‘Ja’, zegt B. ‘Een plaatje.’