Terug in het riool

Ik ben als een terugkerende astronaut die te lang is weggeweest, op duizenden lichtjaren van zijn oorspronkelijke kiezelsteen. Toen ik vertrok kreeg ik onmiddellijk heimwee: het weer was prachtig en nodigde niet uit voor een lange reis in de ruimte. Maar die ruimte geurde naar dennebomen, zee en was door mooie slanke wezens bevolkt. Mijn huid werd donkerder, ik leerde nieuwe woorden in die vreemde ruimtetaal en begon mijn planeet van oorsprong te vergeten. Crudo o cotto, Granbiscotto! werd mijn nieuwe motto.

Even dacht ik dat ik voor eeuwig als ruimtetoerist verder door het leven zou kunnen gaan. Maar vanuit het basisstation op mijn kiezelsteen werd een lang terugfluitsignaal aangeheven: tijd! Ik deed mijn thermische schild aan, opende mijn paraplu en ging de dampkring tegemoet. Die passeerde ik bij Hazeldonk, net als een kluwen drugsgidsen en een walm doorgebakken muurkroketten.
Terwijl ik in het zonnige heelal vertoefde, schijnt het dat het op mijn steen heel wat had geregend. De lucht was er nog vochtig en toen ik mijn huis binnenstapte rook het naar muffe sandalen. Ik borg mijn ruimtepak met bijbehorende zwemvliezen in de kast op en hoorde de telefoon gaan. Een mevrouw van de omroep heette me in naam van haar radiostation van harte welkom - haar stem stonk naar spruitjes - en ging onmiddellijk over tot de orde van de dag: of ik eventjes op de zender wou vertellen wat ik van de nieuwe vriendin van de kroonprins vond.
Mijn hoofd begon te duizelen, een onweerstaanbaar gevoel van walging draaide mijn maag om en ineens woog ik driehonderdvijftig kilo. Die vervloekte zwaartekracht! Waarom moest ik nou een mening hebben over het laatste spermashot van een gefortuneerde zwijntjesjager? Omdat in de documentatiemap een stuk van mij over hem, van drie jaar geleden, was ontdekt. Netjes legde ik uit dat ik er niets voor voelde om het libido van bijna gekroonde hoofden van commentaar te voorzien en legde neer. ‘Ik snap het, het moet rijpen’, zei die mevrouw. 'Nee, het moet barsten’, antwoordde ik. Ik woog op dat moment meer dan vijfhonderd kilo, maar vond net genoeg energie om de kwaliteitsochtendkrant met twee handen op te tillen. 'Nieuwe geliefde: Maxima Zorroguita’, brulde de voorpagina. Het stuk was in Rio de Janeiro door Ineke Holtwijk geschreven en door haar eigen nieuwe liefde Menno Buch goedgekeurd. Ik kon de laatste maaltijd die ik in de ruimte had genuttigd - panini met Granbiscotto - niet binnenboord houden en besmeurde ongewild de vloerbedekking.
Op datzelfde moment opende het journaal op de tv met alweer Holtwijk die haar krantenstuk mocht voorlezen. Deze luie vorm van riooljournalistiek leerde me voor de tweede keer dat Argentijnen 'gemankeerde Europeanen’ zijn en Maxima 'verschrikkelijk intelligent’ is. Cruciaal in de beschrijving was dat Maxi Zorro 'blond en lang’ was, maar bij de gemankeerde Europeanen was 'lang’ niet zo lang als op onze oranje kiezelsteen, meldde Holtwijk. Waarom de rioolrat Maximum toch 'lang’ noemde kon ik niet vatten, maar ik zat nog met mijn hoofd in de sterren. Gelukkig meldde Holtwijk nog net niet, zoals door haar minnaar Buch werd verlangd, de werkelijke kleur van het schaamhaar van Max. Ook viel het me op dat het feit dat de vader van koningin Zorro het hulpje van de fascistische Argentijnse beulen was geweest, eind jaren zeventig, door journalist Holtwijk werd afgedaan met de korte mededeling dat Pa 'minister van Landbouw tijdens het militaire regime was geweest’. Aan het eind van het item woog ik precies 1055 kilo en het bloed suisde in mijn oren.
Toen verscheen Alex zonder Max in beeld. Hij was op werkbezoek bij een burgemeester en zag Maartje van Weegen vanuit haar eigen NOS-rioolbuis op hem afstormen. Ze siste door haar puntige tandjes: 'Wat wij allemaal willen weten is of het verhaal van de krant klopt!’ De zwijntjesjager veranderde op slag in een stijve hark en verdween uit beeld. Ik schudde twee ton van mijn schouders en schreeuwde naar het toestel: 'Niet allemaal! Ik wil het niet weten! Ik wil weer weg uit deze specietank en terug naar het heelal!’