Terug naar A.

Je hoort Herman Koch al lachen als hij deze recensie leest © Maarten Kools

De nieuwe roman van Herman Koch heeft zich vermomd als een memoir, zoals het in het Angelsaksische taalgebied heet, en waarvoor wij niet echt een goed woord hebben. ‘Memoires’ klinkt te plechtstatig en te af, autobiografie te rond, het gaat om een geconstrueerde terugblik op een deel van het geleefde leven. Een herinnering, zoiets. Het kan ook andersom zijn: Kochs memoir heeft zich vermomd als roman, want ‘roman’ is wat op de cover staat. Het verhaal waarmee het in de wereld is gezet, is dat het zijn meest persoonlijke boek is, het boek waarin hij de façade laat vallen. Wat moet je woorden geven en wat kan beter verzwegen blijven? Het is meer dan een catchy frase op de achterflap, de vraag is het grondmotief van het boek.

De inzet van de roman is dat de schrijver zichzelf in zekere zin gaat onthullen, idealiter schrijft hij het boek dat ieder interview overbodig maakt. Nooit meer de vraag hoe oud hij was toen zijn moeder overleed, hoe de verhouding met zijn vader was, nooit meer de vraag wat hij ging doen in Finland, in zijn eentje, toen hij negentien was, en wat daar gebeurd is. Al laat hij er meteen geen twijfel over bestaan dat het altijd mogelijk is verschillende versies van het werkelijk gebeurde te vertellen, misschien is er zelfs wel niet meer dan dat.

Finse dagen is voor een deel het verhaal van de over de wereld reizende schrijver die volstrekt normaal is. Koch is ook acteur, en speelt zijn rol van successchrijver met verve, zoals hij met grappige precisie beschrijft. Hij past zich aan met behulp van de juiste doseringen drank, is beleefd en praterig, vertelt wat de mensen willen horen over het landje waar hij vandaan komt. De normaliteit wordt tot in het lachwekkende uitgespeld: net als de meeste hotelgangers steekt hij zijn sleutel in het slot en hangt dan eerst zijn jas aan het daarvoor bestemde haakje, zoiets. En er zijn douches met meerdere douchekoppen, ja, vertel me er alles over. De nauw bedwongen, altijd op de loer liggende woede bewaart hij voor zijn hoofdpersonages, afsplitsingen van hemzelf, verborgen in de andere versies.

Voor het andere deel is het een terugblik op de tijd die hij in Finland doorbracht als negentienjarige. Een periode die kennelijk altijd omgeven was door een soort mist, het werd tijd dit verhaal eens helemaal uit de doeken te doen. Maar het verhaal glipt hem al schrijvende uit de vingers: het gaat meer over wie hij was vlak voor hij wegging, ontredderd door de dood van zijn moeder, boos op zijn vader die haar in de steek liet voor een ander.

Koch is ook acteur, en speelt zijn rol van successchrijver met verve

Koch heeft een gewiekste verteltrant, altijd al gehad, maar in dit boek heeft zijn schrijfstijl meer dan ooit iets onmiddellijks en zelfbewusts. Hij brengt je met details dichtbij en vertelt zóveel over niks, dat dat niks er bijzonder van wordt. Gemakkelijk en, weer, met een raar soort suspense, schakelt hij tussen de Finse dagen van toen, de Amsterdamse dagen van net ervoor, en het leven van nu. Het opmerkelijkst is misschien nog wel dat hij je, dat hij mij, het gevoel gaf ergens overheen te lezen. Over ‘het echte’, dat waar het om draait in dit boek. Zelfs begon ik me in te beelden dat er één zinnetje was waarin het geheim van dit boek werd onthuld. Maar hoe vaak ik ook terugbladerde, dat zinnetje kon ik niet meer vinden.

De Finse dagen van weleer krijgen ondertussen onder Kochs typende vingers kitscherige proporties. Tijdens een werkbezoek aan Finland stuit de schrijver op een boekenbeurs op een dichtbundel van een zeer lokale held. Zijn Fins is nog net genoeg aanwezig om een referentie naar hemzelf te kunnen ontdekken. Wie is de dichter en waarom is die blonde Herman van toen met z’n dode moeder zo belangrijk dat hij hem in een gedicht heeft vereeuwigd?

Een andere verhouding van destijds krijgt meer nadruk, die met de Finse Anna. Ook een verhouding die gedoemd was in de knop te blijven, maar met net iets meer glunderende omstanders. Meer ook een verhaal om mee naar huis te nemen, inclusief haar belofte tijdens een ski-uitstapje, dat ze op hem wachtte.

En dan is er nog de terugtocht in het heden, samen met zijn vrouw A., en het terugvinden van meer betekenisvolle plekken dan hij ooit had kunnen denken. Het huis waar hij ooit de dichter opzocht blijkt nu een museum, er hangt een foto waarop ook hij staat, er staat een typemachine geëxposeerd waarin een brief steekt, gericht aan… Jawel. In tegenstelling tot wat de gewoonte is, overpeinst de schrijver, kan A. dit boek maar beter niet meelezen. Hoezo niet? Is de A. aan wie het boek is opgedragen, ‘waar je ook bent’, dan toch niet de Anna met wie destijds een kus is uitgewisseld, en ook niet echtgenote A. die bij hun eerste ontmoeting dacht dat hij van de mannen was? Draait alles ‘gewoon’ om die andere A., Aatto, de man met donker krullend halflang haar die Anna Karenina aan hem uitleende, die dichter werd en voor de trein sprong? Is dit de echte geschiedenis die maar beter verzwegen kon blijven, omdat ieder woord dat eraan gegeven zou worden hem zou bezoedelen?

De gedachte alleen al geeft Finse dagen een gouden randje, ook al hoor ik de schrijver lachen als hij dit leest.